114 HET AMBT BREEDEVOORT TIJDENS
bedoeling van deze geheele overdracht juist inderdaad geen andereis, dan dat de vader de zaken wenschte over te laten aan den zoon,gelijk boven ook uit verschillende feiten bleek. Voor een derde moeilijk-heid stelt Gertruds protest ons oordeel nog, wanneer zij zegt, datJakob indertijd ten onrechte van Protestantsche neigingen is verdachten dat hij, om zieh van deze smet schoon te wasschen, tegenover Parmawel genoodzaakt is geweest om in Spaanschen dienst te gaan, eendienst, waarin hij, zonder den Staten veel schade toegebracht te hebben,zijn jonge leven al spoedig verloor. Het is merkwaardig, dat Gertrudbij haar familie, o.a. bij Johann von Milendonck, noodig heeft gehadte informeeren naar de redenen, die Jakob tot zijn besluit haddengevoerd, en dat zij het bovengenoemde nu voor waarheid bij de Statenindient. Alies, wat boven verhaald is van den tijd totdat Jakob sneuvelde,wees zoo duidelijk aan, dat hier een eigen en welbewuste keuze plaatsheeft gehad, dat wij ons slechts verwonderen kunnen, dat Jakobsgemalin, met wie hij een inderdaad zeer innig samenleven genotenhad, thans uit de tweede hand, en dan aldus, argumenteert !
De „Resolutio van Cantzler und Rhaden", op dit protest genomen i),liet van het besluit niets vallen, maar stond requestrante toe, haar zaakop den landdag te bepleiten. Dit geschiedt dan ook 2), zonder dater nieuwe gezichtspunten door haar worden geopend, terwijl allenadruk gelegd wordt op het feit, dat toch alleen de vesting Breedevoortnaar recht geacht kan worden, in het geding te zijn en dat zij dezegaarne overlaten zal, „daar zij en hare kinderen den Heeren Statenen der Landschap niet vijandig zijn of geweest zijn".
Om meer kans op verhooring van haar smeekingen bij de Statente hebben, deed Gertrud ook thans nog het mogelijke, om van Spaanschezijde eene neutraliteitsverklaring te verkrijgen. Herman graaf vanden Bergh verwees haar naar den kardinaal-aartshertog, maar uit zijnschrijven blijkt toch, dat hij zieh een herovering, resp. ontzetting vanBreedevoort voorstelt of, m. a. w., dat Gertrud om daadwerkelijkeoorlogshulp heeft gevraagd 3). Een memorie 4) van Gertruds pleidooibij dezen bevestigt deze meening; en uit dit stuk, dat bewijst, hoemen van Anholtsche zijde er op wees, dat wijlen Jakob „a esté lepremier et unieque des barons et noblesse du pais de Gueldres, quia porté les armes pour le service de sadite Maiesté", is het duidelijk,hoe de pandvrouwe — zij het door den nood gedreven — de grensder politieke eerlijkheid tegenover de Staten volkomen overschredenheeft. Zij verwerft zieh aldus niet een neutraliteitsverklaring, maarwordt door Albertus in bescherming en sauvegarde genomen.
1) „Propositio et petitio an Cantzler und Rhaden zu Arnhem, beschehen am 7. NovemberA 0 . 97", met „Resolutio Cantzler und Rhaden", copie, Kriegsakten no. 256, F. S.-S. Arch.
2) Ongedateerd concept, Kriegsakten no. 256, F. S.-S. Arch.
3) Herman van den Bergh aan Gertrud, 12 Dec. 1597, orig., Kriegsakten no. 256, Bd.VIII, F. S.-S. Arch.
4) 23 Dec. 1597, copie, Kriegsakten no. 256, Bd. VIII, F. S.-S. Arch.