VI. DE STRIJD MET DE STATENTOT AAN DEN DOODVAN JAKOB VAN BRONCKHORST-BATENBURG.
De Kleefsche tusschenkomst bij de Unie mocht niet baten. Hetleger onder overste Wolter Hegeman nam reeds den 7den September1580, dus op den datum van hertog Wilhelms brief, Anholt in en,naar Dietrich zeide, werd het 00k gedeeltelijk geplunderd. Het isniet uit te maken, of deze plundering wel veel meer is geweest danhet eischen van kwartier en proviand. Om nog grooter eilende tevoorkomen, zag de heer van Anholt zieh genoodzaakt met den ge-duchten krijgsman, die de over gave van huis en stad Breedevoorteischte, een verdrag te maken. Hierin werd gezegd, dat de heer vanAnholt, ter voorkoming van nog grootere nadeelen en gevaren dandie, waarin de arme burgers en onderdanen van de heerlijkheid Anholtreeds zijn gevallen, namens zijn principaal Breedevoort opent entoestaat, dat er ter bewaking 30 man, door de geünieerde provincieste bezoldigen, in garnizoen gelegd worden. De pandsouvereiniteit zalniet worden verkort; drost, rentmeester en onderdanen worden in hunplichten, vrijheden en privilegien niet bezwaard; in zaken van rechten,souvereiniteit, geschut, munitie, inkomsten, enz. wordt niet, hoege-naamd, ingegrepen. Alies, wat den Anholter onderdanen ontnomen is,wordt hun teruggegeven en daartoe worden vóór den afmarsch deñamen der Soldaten, die geplunderd hebben, bekend gemaakt. En bijdit alles mögen stad, huis of heerlijkheid Anholt in het minst nietbenadeeld worden.
Adolf Fonck, richter te Anholt, en Wilhelm Dunsberg, licentiaat inde rechtsgeleerdheid, werden door Dietrich belast, Breedevoort metden inhoud van deze overeenkoms*- in kennis te stellen en de welwil-lendheid der bewoners ter voorkoming van verder onheil in te roepen.Hij vroeg alle medewerking der Breedevoorters om te redden, hetgeennog te redden viel en dit beteekende zeker, dat Breedevoort ziehover moest geven. Ook wendde Dietrich zieh weder tot het hoofdvan den Nederlandsch-Westfaalschen Kreis, om zieh te beklagen overhet aan Anholt, als „reichsunmittelbare" heerlijkheid aangedane ge-weld en met het verzoek, hem bij te staan bij zijn pogingen ter ver-krijging van schadevergoeding; Dietrichs zwager Johan van Raesfeldtbracht dezen brief 1) over. Hij is geschreven te Rees, waar Dietrich
1) 11 Sept. 1580, copie, Kriegsakten no. 256, Bd. II, F. S.-S. Arch.