HET ANHOLTER PANDSCHAP 1562—1612. 113
had gediend; 2 0 . dat zijne en Gertruds zoons te Keulen bij de Jezuietenschool gegaan hadden; 3 0 . dat Hans Jakob (sinds Januari 1597) kapiteinvan het Anholtsche vendel — zij het titulair — geworden was; 4 0 . datvrouwe Gertrud op eigen gezag den zeer schadelijken Rijntol te Rijnberkingesteld had; 5 0 . dat de adel in de pandheerlijkheid een heel anderepolitieke gezindheid toonde dan de pandvrouwe, maar dat hiermededoor haar nooit rekening was gehouden 1). Maar de voornaamste redenvormde het feit, dat men Breedevoort met „onspreeckelicke oncosten"voor Gelre had moeten heroveren 2).
Protest van de pandvrouwe blijft natuurlijk niet uit. Van haar kantberoept zij zieh er op, dat de heeren van Finantiën weten kunnen, hoebij de pandverschrijving door den Koning het voorbehoud is gemaakt,dat hij in tijd van nood garnizoen in Breedevoort moest kunnen leggen.En daaruit was al het verdere — den wenschen van Dietrich vanBronckhorst, Jakob en Gertrud ten spijt — voortgekomen. Dat HansJakob thans kapitein is, moet beschouwd worden als een wijze vansteunverleening; aan den oorlog heeft hij en wegens zijn jeugd en we-gens zijn studies immers niet kunnen deelnemen. Integendeel, deStaatschen hebben de goederen te Baer en op de Veluwe, in strijdmet de Geldersche rechten, geconfisqueerd en Anholt eenige malenovervallen, de eerste maal nog vóórdat men wist, dat Jakob in Spaan-schen dienst was gegaan. Zij bedoelde hiermede de inneming doorHegeman in 1580. Wij hebben vroeger 3) uitvoerig in het licht gesteld,hoe ver Jakob juist in die dagen reeds met Parma op streek was ge-komen, zoodat het oordeel, dat de geschiedenis velt, in dit gevalonmogelijk ten gunste van deze soort verdediging van Gertrud kanuitvallen. Niet heel veel anders is het gesteld ten opzichte van deslotredeneering van het proteststuk, waarin zij toegeeft, dat men vanhaar zou kunnen eischen om, naar ius belli, de vesting Breedevoortop te geven, maar de pandheerlijkheid toch nooit en wel op grondvan het feit, dat Jakob nooit plenariam administrationem van deheerlijkheid heeft gehad, want dat de vader deze gehouden had, dieeerst nà den zoon is overleden, zoodat Jakobs dienst in het Spaanscheleger geen reden kan zijn tot verbeurdverklaring van goederen, diehij nooit heeft bezeten. Leggen wij hiernaast het stuk 4), waarin Dietrichreeds in 1575 aan Jakob „special volkomen magt gegeven" heeft o.a.over Breedevoort, dan moeten wij wel erkennen, dat Gertruds raad-gevers op de allerbewonderenswaardigste wijze gebruik weten te makenvan het inderdaad zeer kleine voorbehoud in dat besluit, dat n.l.alles moet geschieden „in unseren (Dietrichs)... behoeff", terwijl de
1) Zie een ongedateerde memorie, waarin deze punten wederlegd worden, waarschijnlijkmet hulp van Johann von Milendonck, copie, Kriegsakten no. 256, F. S.-S. Arch.
2) Bijlage LXXVI.
3) Boven, biz. 67-70.
4) Bijlage LXXVII. In het verslag van Gertruds pleidooi bij Ridderschap en Ge-zanten der steden van Gelre van Zutphen, Landdag23 Mrt. 1602, heet zij ook„weduwevan den pandheer", orig., Kriegsakten no. 256, F. S.-S. Arch.
8