X. HET EINDE VAN HET ANHOLTER PANDSCHAP.
Hoe verder de tijd vordert, des te schaarscher worden de Anholterdocumenten, weerspiegeling van steeds geringer wordende afwisselingin de lotgevallen der heerlijkheid.
In de eerste helft van het jaar 1604 werden de hervormde landrechtenin Gelderland afgekondigd, waaraan 00k Gertrud von Milendonck inde bannerij van Baer en Lathum, in het drostambt Breedevoort enin de heerlijkheid Anholt verplicht werd, te gehoorzamen en te doengehoorzamen, en tweemaal 's jaars, met nieuwjaar en St. Jan (24 Juni),in de kerken te doen bekendmaken 1). Om de opgelegde contributiesbinnen te krijgen, namen de Gedeputeerden in 1605 Anholter burgersgevangen, die echter op verzoek van Dietrich wel werden vrijgelaten,mits er binnen 14 dagen betaald zou worden; in 1608 herhaalde ziehdit. Een ander punt, waarin Gelre zijn macht over Anholt nu reedsvoor de tweede maal wenschte uit te oefenen, was de tijdrekening;te Anholt gebruikte men den nieuwen, pauselijken kalender, in Gelder-land had men nog den ouden stijl; Februari 1606 eischte men van Anholtterugkeer tot den ouden. Dat Dietrich de huwelijksinzegening volgensde Gereformeerde religie van een Anholter in de kerk te Gendringendoor den predikant aldaar verhinderde, namen de Staten hem zeerkwalijk (1607). 6 Mei 1609 werd door het Hof een algemeene dank-en bededag uitgeschreven, 00k voor Anholt, wegens de totstandkomingvan het Twaalfjarig Bestand.
Den 2isten April 1605 protesteerde Dietrich met behulp van een raads-man zelf bij het Hof te Arnhem tegen de uitoefening der souvereiniteitover Anholt door de Staten van Gelderland. Uit 't bovenstaande blijkt,dat men dit protest voorloopig niet erkende. Deze wrijving had tengevolge, dat aan de voorwaarde, gesteld bij de opheffing der confiscatie,om Breedevoort te herstellen, door de pandvrouwe niet werd voldaan;28 Mei, 11 en 13 Juni kwam deze zaak dringend ter sprake bij hetHof, nadat Prins Maurits zelf, op doortocht naar Rijnberk in hetbegin van dat jaar, op de tekortkomingen in dezen had gewezen; dememorie, waarin dit door den Landdag aan Gertrud werd medegedeeld,bevatte tevens een bevel, dat zij een Jezuiet, die in Anholt verbleef,binnen veertien dagen diende uit te wijzen en dat voor het vervolg
1) Kanselier en Raden aan Gertrud, 23 Juni 1604; Gedeputeerden der Graafschap-aan Gertrud, 21 Jan. 1605, Orig., Kriegsakten no. 256, Bd. XII, F. S.-S. Arch.