VIII. HET VERLANGEN NAAR NEUTRALITEIT.
Het is reeds een jaar later, voordat wij gegevens vinden over depogingen, die Gertrud von Milendonck in het werk stelt om de zoogewenschte neutraliteitsverklaring voor haar gebied te verkrijgen. Zoo-wel mondeling als schriftelijk i) roept zij tot dit doel de tusschenkomstvan Verdugo in, die er immers steeds op uit is geweest, jegens haarverklaringen af te leggen van zijn bereidwilligheid om haar belangenna den dood van Jakob van Bronckhorst te bevorderen. Vrouwe Gertrud,„die door dezen oorlog noch groot voordeel noch welvaart geniet" enaan wie de bevelhebbers en de Soldaten weinig gehoorzaamheid be-toonen, zooals zij zelf verklaart, acht het op deze gronden het beste,zieh in neutraliteit te begeven, en verlangt, dat het vendel in naamen ten behoeve van haar zoon naar een ander garnizoen verlegd worde.Zelf weet zij niet goed, hoe zij zieh in dezen tot Parma heeft te wenden,vandaar het verzoek tot bemiddeling, aan Verdugo gericht. Ook achtzij billijk, dat de Koning nu eindelijk de bezetting te Breedevoortvoor zijn rekening neme. De waarheid is natuurlijk, dat zij niet veelkans van slagen bij Parma meent te hebben. Verdugo, te Ootmarsum,antwoordt zeer zakelijk; vooreerst, dat het vendel, voorzoover hetin Breedevoort ligt, door hem zonder uitdrukkelijk bevel van Parmaniet verplaatst kan worden; en vervolgens, dat zij te Anholt doen kan,wat zij wil, waarvoor hij bij den hertog dan ook voorspraak wil doen.Een verzoek om Marckeloeff tot bevelhebber van een nieuwe bezettingte Werth te verheffen, willigt Verdugo in, wanneer het tegenwoordigegarnizoen van dat huis door den overste-luitenant Thiesseling —den vroegeren landdrost der Graafschap — weggenomen zal zijn 2).Het is wel duidelijk, dat de vesting Breedevoort in het Spaanschekrijgsplan onmisbaar is; de kring moet in het Oosten gesloten blijven;zijns ondanks laat Verdugo aan de verzoekster thans reeds blijken,dat zij in dit opzicht het onmogelijke vraagt. Aan den bevelhebberte Breedevoort — vermoedelijk nog Oswald van den Boetzeler —schrijft hij dan ook, dat de toestand aldaar voorloopig dezelfde zalmoeten blijven 3). Dit was in werkelijkheid ook in zooverre het geval,
1) 11 April en 2 Mei 1591, cono, Kriegsakten no. 256, Bd. VIII, F. S.-S. Arch.
2) 16 April 1591, orig., Kriegsakten no. 256, Bd. VIII, F. S.-S. Arch.
3) 16 April 1591, copie, Kriegsakten no. 256, Bd. VIII, F. S.-S. Arch.