HET AMBT BREEDEVOORT TIJDENS
den vrede wanen. De edelman in zijn slot, de boer in zijn stulp mogtenmet vrouw en kind onbekommerd voortleven en zieh weer vrij ophet platte land vertoonen, zonder gevaar van opgeligt of mishandeldte worden" i).
Wat de pandvrouwe van Breedevoort betreft, voor haar was zulkeen reden tot vreugde niet aanwezig. Er zijn berichten, dat Breedevoortdoor plundering en brand zeer geleden heeft nà de verovering, alsstraf niet alleen voor de bezetting, maar voor de burgerij zelve 2),die zeker meer van de Spaansch-Anholtsche belangen was vervuldin den loop der jaren, dan dat zij zieh Nederlandsch kon gevoelen.Ook heeft Maurits zelf aan de Staten-Generaal te kennen gegeven,„dattet de starckste plaets is, die wy deze tocht den vyandt afghenomenhebben" 3), en daarom te meer zijn de gevolgen van de veroveringvoor de pandvrouwe in werkelijkheid nog erger geweest, dan al deschade daarvóór.
Zooais uit brieven van Johann von Milendonck 4) en van Maximiliaande Hornes 5) aan Gertrud uit deze dagen blijkt, hebben de gedepu-teerden van de Staten, Casijn van der Hei en Van der Capelle, diehet contact met Maurits onderhielden, bevel gekregen om de regeeringover de pandheerlijkheid in handen te nemen en nieuwe ambtenarenaan te stellen, resp. van de ambtenaren den eed aan de Staten vanGelderland te eischen. Dit beteekende confiscatie en wel terstond.Een zaakwaarnemer van vrouwe Gertrud, Otto Hartius, die, als vroegerGerardi, te Brüssel verblijft, deelde haar mede, dat de aartshertogop 14 October 1597 eindelijk het besluit had genomen, dat graafHerman van den Bergh in zake de gevraagde neutraliteit zoo konhandelen, als hem gewettigd scheen. Doch toen was het reeds te laat.Misschien, zoo voegt hij er aan toe, dat de tegenpartij niet geloovenZal, dat wij onzerzijds wel werkelijk alles gedaan hebben voor deneutraliteit, wat wij konden, en dat zij Breedevoort dáárom thans zoobijzonder hard behandelt; doch men moet het aan Gods almachtigbestel overlaten deze „quade avanturen" eenmaal in vreugde te ver-anderen. Hij denkt daarbij aan den afstand der Nederlanden, in 1598,aan Isabella bij haar huwelijk met Albertus: „die veranderinghe voerhanden zijnde in staet ende regeringhe deser landen, met afscheydenvan dye croone van Spaignien" 6). Mocht deze hoop gewettigd zijnof niet, in het eerste had Hartius gelijk: men heeft de gelegenheidaangegrepen, om de heerlijkheid en de pandvrouwe de macht vanden overwinnaar te doen ondervinden. Men beriep zieh op verschillendegronden: I o . dat wijlen Jakob van Bronckhorst den Spaanschen koning
1) Fruin, Tien jaren, nieuwe uitg., Amsterdam 1861, blz. 389 v.
2) J. J. van den Hoek, a. w., blz. 91.
3) J. J. van den Hoek, a. w., bijlage blz. iai.
4) 4 en 8 Oct. 1597, orig., Kriegsakten no. 256, F. S.-S. Arch.
5) 8 Oct. 1597, orig., Bronckh. Korresp., no. 23, F. S.-S. Arch.
6) Hartius aan Gertrud, 4 Dec. 1597, orig., Kriegsakten no. 256, F. S.-S. Arch.