HET ANHOLTER PANDSCHAP 1562—1612.
behoeden", dat waren de vertwijfelde woorden, die de gemalin vanJVTaximiliaan de Homes, Agnes von Milendonck, aan haar nichtGertrud schreef i). Hoewel Gertrud van meening is geweest, datBreedevoort maar overgegeven moest worden, hebben de beide vendéis,die er lagen, de stad tot het laatste willen verdedigen. Het is mogelijk,dat zij zieh eenvoudig niet aan dezen wensch van de pandvrouwe ge-stoord hebben, ofschoon Broickhuysen en Oswald van den Boetzelertegenover haar zieh nimmer zoo eigenmächtig hebben getoond; maarevenzeer is mogelijk, dat haar wensch niet bekend is geweest bij hetgarnizoen; van den (ongedateerden) brief, waarin zij hem aan den garni-zoensschrijver Melchior Braun mededeelde, is het origineel nog teAnholt voorhanden 2), daar het natuurlijk tijdens de belegering nietmeer mogelijk is geweest, hem aan zijn adres te bezorgen. De bijzonder-heden van de verovering zijn bekend 3). Ook hier toonde Mauritszieh weder den veldheer van vasten wil, die met geduld in een toen-maals zeer waterrijke streek, bijna een moeras gelijk, zijn mannen engeschut vasten voet verschafte, waarna de storm kon aangevangenen doorgezet worden. Van het Anholtsche vendel, dat zieh met hetandere van Gardot op het kasteel had teruggetrokken, waar beide ziehechter op genade en ongenade hebben moeten overgeven, bezittenwij de volledige lijst van namen van officieren (meest met een vrouw)en manschappen, gemerkt met de te betalen rantsoenen, waardoor wijtevens een betrouwbaar beeld hebben van de samenstelling van zulkeen vendel 4). Het blijkt, op 2 Walen na, uitsluitend uit Nederlandscheen Duitsche knechten te hebben bestaan; wat de pandheerlijkheid betreft:5 uit Breedevoort, 7 uit Aalten, 2 uit Winters wij k, 1 uit Dinxperloen 7 uit Anholt; gekwetsten zijn wel, dooden niet vermeld.
Wanneer binnen zeer körten tijd ook Enschede, Ootmarsum, Olden-zaal en Lingen veroverd zijn, is, naar het woord van Fruin, de tuinder zeven provinciën gesloten, zonder dat de vijand, in Frankrijk vasc-gehouden, iets gedaan heeft, om den voortgang van het Nederlandscheleger te stuiten. „Onuitsprekelijk was de vreugde over zooveel on-verwachten voorspoed. Het platteland van Zutphen en Twenthe, vanDrenthe en de Ommelanden was in dezen eenen veldtogt voorgoedverlost. Die streken, jaren lang door den krijg vertreden, hadden voort-aan slechts den matigen druk der oorlogsbelasting te dragen; vrij vanplundering en brandschatting, konden zij zieh bijna in het genot van
1) 3 Oct. 1597.
2) Orig., met eigenhändige aanteekening, Kriegsakten, F. S.-S. Arch.
3) Litteratuuropgaven bij P. Gouda Quint, Grondslagen voor de Bibliographie vanGelderland, Arnhem 1910, blz. 123 en 124; S. Gouda Quint, a. w., Vervolgdeel, Arnhem1927, blz. 48.
4) Orig. Kriegsakten, No. 259, F. S.-S. Arch. — Er is later een gerucht geweest, datBroickhuysen en Boetzeler het kasteel nog wel langer hadden kunnen houden, toen de stadreeds veroverd was, totdat zij betere voorwaarden verkregen hadden voor de overgave,brief van Gertrud aan haar zoons, ongedateerd (Juli 1601), orig., Bronckh. Korresp.no. 18, F. S.-S. Arch.; dit gerucht is voor ons oncontroleerbaar.