76 HET AMBT BREEDEVOORT TIJDENS
verstrekt, wijzen wij slechts op zijn mededeelingen over Van denBerghs incidenteele houding bij de inneming van Bronkhorst enKeppel i), waarvan boven 2) sprake was. Ondanks deze gezindheid,die gemaakt heeft dat Van den Bergh een weerzinwekkend dubbel-zinnige rol speelde in deze jaren, heeft er tusschen hem en de heerente Anholt allerminst een vriendschappelijke verhouding bestaan. Wijzagen boven, hoe vijandig hun verkeer was, als de vendéis van Jacobop Berghsch gebied hun onderhoud zochten, maar 00k hoe de Bergh-schen zieh in de dagen van Hegeman de Anholters tot vijanden maakten.Cock zegt 00k daarvan, dat de heer van Anholt toan met ruiters en voet-volk in het Berghsche is gevallen 3), maar er is geen reden om dit zooaan te nemen; veeleer hebben wij slechts te denken aan bedoeldestrooptochten. De Bronckhorsten waren er allerminst op uit, onnoodigeoorlogen te voeren. Het is de onvriendschappelijke verhouding tusschenbeide huizen, al tijden lang bestaande, die slechts nieuwe prikkelsontvangt. Parma steunt Van den Bergh wel, maar is daarbij uiterstomzichtig om den Anholter, die immers openlijk in 's Konings dienstis, niet te prikkelen. Hier laten wij Tadama's oordeel gelden bovendat van Cock.
Cock geeft een bepaald feit op — dat waarschijnlijk in den z.g.boerenkrijg thuis behoort — dat de oorsprong zal zijn van de vijand-schap tusschen Bergh en Anholt. Het doet alweder de oneerlijkheidvan den graaf van den Bergh blijken. Wanneer het heeft plaats gehad,wordt niet verhaald en de gegevens ontbreken ons om de juistheid derbewering te toetsen. Maar als Cock, n. a. v. dat eene feit zegt: „wantden graeff van den Berch oorsaeck was, dat de heer van Anholt vyant[n.l. van de Staatsche partij] was geworden", en dat dit het is „waeromde heer van Anholt aen des conincx zyde is gevallen" 4), dan ziet dekamerdienaar toch al te persoonlijk, te beperkt. Van welke waardezijn inlichtingen 00k -mögen geschat worden, zijn gezichtskring is nietwijd genoeg, om 00k het streven der Anholters te doorzien.
Hoe daarom te oordeelen over de voor ons oogenblikkelijk onder-werp voornaamste bijzonderheden, die dezelfde Cock geeft? Sprekendeover het beleg van Lochern in 1582, in welke stad zieh twee hunnerZonen bevonden, vertelt hij, dat de graaf en de gravin van denBergh zieh buitengewoon ongerust maken, omdat de heer vanAnholt bij de belegeraars is, hun persoonlijke vijand. Het is 00kvooral om deze reden, dat zij Wttenham naar Emmerik zenden omhulp. Deze komt terug met het advies van Parma, dat de gravin aanhaar broeder, den prins van Oranje, om ontzet moet vragen, waardoorde jonge graven zieh uit de belegerde stad zouden kunnen werken;of anders „dat den graeff yemanden mochte toemaecken den heerevan Anholt te doorschieten, want hy 't alleen was, die der stadts be-
1) Van Veen, a. w., biz. 238; vgl. Tadama, a. w., biz. 39. 2) Biz. 72, aant. 4.3) Van Veen, a. w., biz. 240, § 12. 4) Van Veen, a. w., biz. 338.