Druckschrift 
Het ambt Breedevoort tijdens het Anholter pandschap : 1562 - 1612
Entstehung
Seite
75
Einzelbild herunterladen
 

HET ANHOLTER PANDSCHAP 1562—1612. 75

vangen gemaakt 1) op Kleefsch gebied en de Anholters beschouwenhem dus niet als hun gevangene. Als de Kleefsche regeering zieh hierinmengt, beroept Jakob zieh dan 00k op dit feit: hij heeft aan Schenck,omdat deze in dienst van den koning van Spanje staat, toegestaan,den gevangene op zijn kosten te Breedevoort te bewaren; hem zelflaat het volkomen onverschillig, of de man losgelaten wordt of niet 2).Twee jaren lang hooren wij over dezen gezant niets meer; totdateindelijk Parma zelf, die 00k reeds van Kleefsche zijde om tusschen-komst is gevraagd 3), op verzoek van de Engeische koningin, zieh alsvriend wendt tot Jakob, „coronnel d'ung Régiment pour le servicede Sa Maiesté", die thans wel over de vrijlating beslissen zal, daarSchenck — op het oogenblik zelf immers gevangen — wel nimmer inwerkelijkheid de kosten dezer gevangenschap gedragen heeft; Parmapleit namens koningin Elizabeth voor verlaging van de onkosten-rekening 4).

Thans breekt over Anholt het grootste oorlogsonheil los.

Jakob bevindt zieh begin September bij zijn troepen, die aan hetbeleg van Lochern door Verdugo deelnemen. Hij schrijft van daar denioden dier maand geruststellend aan zijn gemalin 5), die zieh 00kthans over zijn krijgsavonturen bezorgd maakt en daarmede aantoont,dat Jakob iets' onderneemt, dat voor Anholt zelf en de belangen vanzijn geslacht niet direct noodzakelijk was. Tien dagen later zou hijdoodelijk gewond worden.

Aangaande het beleg van Lochern en de positie van Jakob vanBronckhorst daarbij hebben wij eenige zeer belangrijke bijzonderheden,die onze aandacht vragen, in de merkwaardige „Eenvoudige en waer-achtige verclaringe" van Willem Reusinck, genaamd Cock, kamer -dienaar van graaf Willem van den Bergh, — sinds November 1581stadhouder van Gelderland —, afgelegd in November 15866). Cocktracht vooreerst duidelijk te maken, dat graaf Willem van genoemdendatum af steeds in contact is geweest met Parma en de bedoelingheeft gehad, Gelderland aan 's Konings zijde te brengen. Dit is dehoofdbewering, op grond waarvan Tadama's gematigd oordeel overden graaf niet houdbaar blijkt 7). Van den Bergh staat wezenlijk on-oprecht tegenover de Staten. Uit de verschallende gegevens, die Cock

1) Corresp. v. h. Hof met het kw. v. Zutphen, no. 5669, R. A. Arnhem.

2) Cone, 29 Oct. 1580, Kriegsakten no. 256, Bd. Ill, F. S.-S. Arch.

3) De hertog van Kleef aan Parma, na 21 Sept. 1582, copie, Kriegsakten no. 256,Bd. Ill, F. S.-S. Arch.

4) Bijlage XLIV, XLV en XLVI. In Bijlage XLI is sprake van een bepaalde commissie,die Parma aan Jakob gegeven had en die voor een zekeren termijn gold, 3 maanden, enverlengd werd. Vermoedelijk omvatte deze commissie meer dan alleen het bevelhebber-schap.

5) Bijlage XLVIII; een voorlaatste brief van Jacob aan zijn gemalin, bijlage XLVII.

6) Uitgegeven door J. S. van Veen, De afval van Graaf Willem van den Berg in 1583,Gelre IV, 1902, biz. 229—259.

7) R. W. Tadama, Willem Graaf van den Berg en zijne tijdgenooten, Zutphen 1846,biz. 46 w.