Druckschrift 
Het ambt Breedevoort tijdens het Anholter pandschap : 1562 - 1612
Entstehung
Seite
66
Einzelbild herunterladen
 

66 HET AMBT BREEDEVOORT TIJDENS

een huis bezat, dat hij thans, wijkende voor Hegeman, had betrokken.

De Staten van Gelderland werden terstond door Hegeman zelfop de hoogte gebracht van de onvoldoende inschikkelijkheid van dengrijzen Anholter. Zij vermaanden dezen daarop, zieh niet aan verderverzet te wagen en het boven bedoelde verdrag met Hegeman legdenzij zoo uit, alsof Dietrich zieh daarmede gebonden had, om geheelnaar hunne zijde over te gaan. Zij spraken van een verschuldigdenplicht, die op Dietrich rusten zou, omdat huis en ambt Breedevoortkrachtens den pandbrief aan Gelderland verbunden waren en dus metGelderland op en neder dienden te gaan i). Wat men van dit laatsteook möge laten gelden, natuurlijk beklaagde Dietrich zieh in de aller -eerste plaats over de invasie in Anholt. Wanneer wij ons nu herinneren,hoe Jakob, ook namens zijn vader, Parma had gezocht, dan vindenwij, dat Dietrich de grens van de diplomatieke eerlijkheid bereikt, alshij aan het Hof thans antwoorden gaat: dat hij zulk een vijandschapvan de Gelderschen niet had verwacht; maar dat hij, uit hetgeen nugeschied is, wel met voldoende duidelijkheid waarnam, hoe de aan-drijvers van dat alles en de Gelderschen, die het geapprobeerd hadden,jegens hem en de zijnen sedert lang gezind waren en nog zijn. En inde tweede plaats, dat hij zelf het verdrag met Hegeman heel andersuitlegde, dan het Hof deed: Hegeman had uit Anholt dienen te ver-trekken, als hem Breedevoort geopend werd; maar dit kon hem nietgeopend worden, omdat hij niet ophield Anholt te plünderen en dusblijkbaar onbetrouwbaar was. Met een keizerlijk gebaar had de ver-jaagde Dietrich hem alsnog Breedevoort aangeboden, mits hij zelfgijzelaar wilde wezen. Doch ook dit had de vechtjas niet aangenomen 2) !

Ook eiders deden dezelfde moeilijkheden zieh voor. Wel werd eenoogenblik gevreesd, dat de Soldaten de Heeren Staten in den steekzouden laten 3); maar het Hof durfde toch wel een patent uit te geven,waarbij het verklaarde, dat de inwoners van Baer en Lathum in be-scherming genomen werden, omdat zij zieh steeds goede patriottenbetoond hadden. En dit deed het Hof, al behoorde de genoemdebannerij aan den heer van Anholt! Te ernstiger kon deze dan nu overhet lot zijner Breedevoorters denken 4).

Bij denken bleef het niet; er werd ook gehandeld. Terwijl het verblijfvan Jakob van Bronckhorst onbekend was — zijn vader vermoedde,dat hij in of bij Milendonck (bij Neuss) was — waren er troepen opkomst, om Anholt te ontzetten, die bij Beck over den Rijn zoudenkomen. Tegen drie vendéis ruiterij en nog een troep voetvolk, onderRemen te Aalten gelegerd, hadden 25 Breedevoortsche Soldaten eenuitval gedaan, die goed slaagde, zoodat er ook gevangenen gemaaktwerden, o. w. een edelman. „Hadden ze nog 100 schütten meer gehad,

1) 11 Sept. 1580, Kriegsakten no. 256, Bd. II, F. S.-S. Arch.

2) Cone. 14 Sept. 1580, Kriegsakten no. 256, Bd. II, F. S.-S. Arch.

3) Corresp. v. h. Hof m. h. kw. v. Zutphen, 10 Sept. 1580, no. 5626, min., R. A. Arnhem.

4) Corresp. v. h. Hof m, h. Kw. v. Zutphen, 15 Sept. 1580, no. 5629, min., R. A. Arnhem.