Druckschrift 
Het ambt Breedevoort tijdens het Anholter pandschap : 1562 - 1612
Entstehung
Seite
63
Einzelbild herunterladen
 

HET ANHOLTER PANDSCHAP 1563— 1612. 63

vijandelijke — dus Spaansche — troepen te gaan verstaan, welkewaarschuwing gevolgd werd door de pending van den ritmeesterGohr of Goer, om schade voor de Generaliteit te voorkomen 1). Maaropnieuw zocht Jakob reeds steun bij Parma. Deze bleek nogmaalsovertuigd van Jakobs trouw, maar kon uit Bergen in Henegouwengeen Soldaten missen voor Breedevoort; echter kon Jakob zelf festigman voor den Koning aanwerven, voor welker nooddruft Parma van1 Juni af wilde morgen 2). Oude, welbekende belofte in oorlogstijd !

Doch nu werd van de zijde der Unie een kloek besluit genomen.Door middel van een aantal gezanten: Dr. iur. Elbert Leoninus, raadvan State; Barthold van Gendt, heer van Loenen; Adolf van Goertot Kaldenbroeck, raden van Gelderland, en Johan van Renesse, heervan Wilp, zou men trachten van den Bronckhorster te Anholt eenuitdrukkelijke, duidelijke, categorische en schriftelijke verklaring om-irent zijn gevoelens ten opzichte van de Unie te verkrijgen 3). Menwenschte eindelijk te weten, waar men met hem aan toe was. Ookverwachtte men van hem, dat hij met de collectatie (heffing) op wijn,bier, vleesch en hout te werk zou gaan naar de nieuwe instelling derGedeputeerden 4). Eenige kracht kon aan deze vragen misschienworden bijgezet door het feit, dat Groenlo toen door Staatschen bezetwas; Martin Steinhagen schreef, dat hopman van Lintelo, die later onderJakob van Bronckhorst dienen zou, door hem werd vastgehouden 5).

Dat de genoemde gezanten de gewenschte verklaring ooit vanDietrich of Jakob hebben weten te verkrijgen, blijkt nu of laterniet. Het lag niet in de lijn der Bronckhorsten zieh door zulk een uit-spraak moeilijkheden te veroorzaken. Maar wel reisde Jakob wedernaar Bergen in Henegouwen, met een aan Parma gerichten aanbe-velingsbrief van hertog Wilhelm IV van Kleef toegerust, waarinstond, dat hij een betrouwbare, eerlijke persoonlijkheid was, die denKoning goede diensten zou kunnen bewijzen 6). Parma nam Jakobterstond in dienst en schreef daar reeds 20 Augustus tamelijk zalvendover aan den vader 7). In September was Jakob, wiens dienst blijkbaarnog niet actief was geworden, wederom nog bij Parma om garnizoenvoor Breedevoort te vragen op grond der pandverschrijving. Als hoofdvan den Nederlandsch-Westfaalschen Kreis schreef hertog Wilhelmvan Kleef nu weder een brief in het belang der Anholters — ditmaalechter aan de partijen der Nadere Unie, om er voor te pleiten, datvan die zijde het plan, dat hopman Hegeman een aanval op Anholtzou doen, nog niet zou worden uitgevoerd. De Hertog wees er op,dat Anholt op zichzelf tot het Duitsche Rijk behoorde 8) en dat de

1) Jan van Nassau aan Dietrich van Bronckhorst, 20 April 1580, orig., Kriegsaktenno. 256, F. S.-S. Arch.

2) 21 Mei 1580, ib. 3) Bijlagen XXXV, XXXVI. 4) " Juni 1580, ib.5) 6 Juni 1580, ib. 6) 10 Juli 1580, ib. 7) Bijlage XXXVII.

8) Een toentertijd nog niet uitgemaakte zaak, aegt d'Ablaing van Giesenburg, a. w.,o.a. blz. 28.