Druckschrift 
Het ambt Breedevoort tijdens het Anholter pandschap : 1562 - 1612
Entstehung
Seite
28
Einzelbild herunterladen
 

28 HET AMBT BREEDEVOORT TIJDENS

Orangien, dezen veldtocht reeds in het vroege voorjaar. Toen dezedreigde, stonden kanselier en raden des konings den pandheer vanBreedevoort op diens verzoek ditmaal reeds binnen veertien dagen toeop kosten van Z. M. 50 Soldaten, voorloopig voor den tijd van eenmaand, aan te werven ter bescherming van huis en stad 1). Als dataantal te klein is, vraagt Dietrich om nog 50 en 00k om inlossing vande belofte van een goede regeling der betaling. Doch daar werd Breede-voort reeds opgeëischt door de Geuzen — en blijkt, dat men te Arnhemnog slechts met de werving bezig is; men bepaalt zieh tot het advies,dat de drost zelf, met de hulp, die hij reeds heeft, alles in het werkmoet stellen om de poorten nog gesloten te houden; „naar onze vasteovertuiging kan zulk een plaats niet zonder geschut veroverd worden" 2).

Op den zelfden dag, waarop laatstbedoeld antwoord aan Dietrichte Arnhem werd opgesteld, ging er 00k een brief in omgekeerde rich-ting. De Anholter schreef, dat het leger uit Werth — dat zijn de troepenvan Willem van den Bergh — den çden Juni naar Breedevoort wasgetrokken en onder bedreiging de overgave der stad had geëischt.En dat, terwijl de drost het eerste vijftigtal Soldaten nog niet eens volhad kunnen maken! „Daar de burgers, van welke 00k eenigen destad verlaten en met de anderen gemeene zaak gemaakt hebben, nietsterk genoeg zijn om weerstand te bieden; daar verder verluidt, datzieh in Werth en Wertherbroek een nieuwe bende ruiters en voetvolkmet geschut zou hebben gelegerd, die zieh vermoedelijk bij de eerstebende zal willen aansluiten, vraag ik, of ik op ontzet van Breedevoortmag hopen. Indien niet, dan zal ik genoodzaakt zijn, de stad op tegeven om nog zooveel mogelijk voor de goede Heden, die er in wonen,onherstelbare schade aan lijf en goed te voorkomen 3)."

Dat was de eenige wijze, waarop Dietrich handelen kon. Hij heeftde situatie zeer goed geweten, waarin Breedevoort komen zou, enmet het pandschap 00k hij zelf. Allerlei berichten ontving hij boven-dien. Eveneens op den zelfden dag schreef hij aan zijn stadhouderte Baer, den ons reeds bekenden Mr. Johan van Broickhuysen, datde versehe troepen nog niet te Werth liggen, naar hem was medege-deeld en dat het 00k onzeker is, of zij die plaats wel zullen uitkiezen.Maar wel hield het gerucht stand, dat ze op marsch zijn en dat dePrins in eigen persoon er bij is. En voor het geval, zoo ongeveergaat hij voort, dat zij hun plan ten opzichte van Breedevoort ten uitvoerleggen, wil ik het liefst aannemen, dat het hun meer om het verkrijgen

1) ig Mei 1572, orig., Kriegsakten no. 256, Bd. I, F. S.-S. Arch., vgl. Corresp. deGueldre et de Zutphen, XIV, fol. 103, R. A. Brüssel, en J. S. van Veen, Uit den zomer1572, Gelre XXIV, blz. 179—181, en de daar gepubliceerde stukken; de opsomming bijden brief van den Prins van Oranje aan Johan van Nassau 17 Juli 1572, Groen, Archives,III, no. CCCLXXVI, p. 463, vgl. p. 492.

2) 10 Juni 1572, copie, Kriegsakten no. 256, Bd. I, F. S.-S. Arch.

3) 10 Juni 1572, copie, Kriegsakten no. 256, Bd. I, F. S.-S. Arch. Over de weinigehulp van het Hof in dezen tijd ondervonden, beklaagt hij zieh 00k nog 19 Nov. 1573,ben. bijlage X, en beklagen zieh zijn erfgenamen in de gansche latere lijdensgeschiedenis.