HET ANHOLTER PANDSCHAP 1563— 1612. 13
was Breedevoort tevens bestuurs- en rechtscentrum en residentie derhoogere ambtenaren. Op het „huis" zetelde de drost, de eigenlijkevertegenwoordiger van den pandheer, als hoedanig wij hierachterzullen aantreffen Jaspar van Broickhuysen, later 00k Jacob van derCapellen en Palyck van Marckeloeff. Volgens zijn instructie 1) was hijverplicht huis en ambt getrouw te beschermen en te bestieren enoppertoezicht te houden over de onderscheidene ambtenaren, opdatde oude rechten en heerlijkheden ongeschonden bleven. Behalve onder-scheidene kleine baten als 1 / 10 der z.g. breukgelden (boeten) der onder-zaten, welke hij den rentmeester moest helpen invorderen, inkomstenin natura, als gedeeltelijk vrije hazenjacht en visscherij e. d., persoon-lijke diensten van hoorige onderzaten, enz., genoot hij een jaarlijkschinkomen in contanten van 358 gulden 16 stuiver en 12 placken, waarvanhij echter op zijn kosten op het kasteel huisvesten en verplegen moestacht betrouwbare en weerbare manschappen, te weten: een burggraaf,die in opdracht van den rentmeester de koornrenten innen en ver-sorgen moest, een schrijver, een flinken knecht, twee portiers voorde eerste en tweede poort, een jager of visscher, een bakker en eenakkerknecht. Het noodige brandhout werd hem door daarvoor aan-gewezen onderzaten gebracht, terwijl hij tevens voor het onderhoudvan twee paar den op dezelfde wijze jaarlijks 50 maker haver en 6 voerhooi toegevoerd kreeg.
Op hem volgde als functionaris op een niet minder belangrijkenvertrouwenspost de rentmeester (of boekhouder), wiens taak het was,de veelsoortige renten en „opkomsten" van het gansche ambt benevensde uitgaven te administreeren, te ontvangen en af te dragen. Zijnjaarlijksche rekeningen bieden een getrouw beeld van de ingewikkeldefiscale verhoudingen, waarvan een nadere beschrijving of opsomminghier natuurlijk achterwege blijven moet. Slechts terloops zij er opgewezen, dat een klein deel der domeinen jaarlijks werd verpacht oftegen een vasten canon uitgegeven, terwijl het groóte aantal z.g. hof-goederen geadministreerd en beheerd werd naar eigen afzonderlijkehofwetten, zooals zij reeds grootendeels tijdens het vroegere Loonscheregime bestonden of daaruit historisch waren gegroeid, in dien zin,dat onderscheidene vroegere opbrengsten in natura successievelijk invaste geldrenten of andere uitgangen waren omgezet en verrekend.Teneinde de naleving dezer hofwetten, waar natuurlijk voor den pand-heer veel aan gelegen was, zooveel mogelijk te verzekeren, waren z.g.„hofdagen" ingesteld: één jaarlijks aan den Rozeboom of Rozenhuisin Miste (Winterswijk) voor de hofhoorigen in het oostelijk deel derheerlijkheid, en één voor de hoorigen in het westelijk ambtsgebied opden hof te Ahave (Ahof), huize „De Pol" onder Aalten. Hier „legden"(= betaalden) onder toezicht van den Richter en Landschrijver de
1) Zie aanstelling van den drost Marckeloeff 14 Febr. 1577, oork. no. 1333, BestandAnholt, F. S.-S. Arch.