HET AMBT BREEDEVOORT TIJDENS
kreeg voorloopig een zoodanige beurt, dat het tenminste wind- enwaterdicht kon heeten, maar de toegezegde grondige reparatie schijnter, als wij later uit Anholt vernomen klachten gelooven mögen, doorden weldra gevolgden oorlogstoestand jammerlijk bij ingeschoten tezijn. De door de Rekenkamer beloofde bouwmaterialen waren nimmergeleverd en een halve eeuw later stond het gebouw nog onaangeroerd,maar nu natuurlijk nog verder vervallen en zoo goed als onbewoonbaar.Ook in ander opzicht heeft Anholt zieh later beklaagd, waarvan wehier slechts aanstippen, dat Dietrich er zoogenaamd „ingeloopen" zouzijn bij de vaststelling der pandsom, doordat — naar achteraf geblekenZou zijn — de Koning hem lijsten van inkomsten voorgelegd zou hebben,die over 16 maanden in stede van een jaar geloopen hadden, terwijlsommige posten ook te hoog geschat of zelfs oninbaar waren ge-bleken i).
Dergelijke „misvattingen" — waarbij wij niet willen oordeelen, ofAnholts beroep daarop juist is geweest — daargelaten, moet het andersvoor Dietrich niet moeilijk zijn geweest de balans zijner nieuwe be-zitting op te maken, evenmin het beheer er over uit de verte (Anholt)naar behooren te behartigen en op zieh te nemen. Sinds menschen-heugenis toch was de bestuursorganisatie in het ambt geheel op hetelders vertoeven van den pandheer ingericht. De werkkring der ver-tegenwoordigende ambtenaren was als het ware historisch gegroeiden afgebakend en uitvoerige rentmeestersbescheiden (liggerboeken),ook uit vroegere perioden, waren zoo noodig beschikbaar om deplichten en rechten der onderzaten, de inrichting van het bestuur, derechtspleging enz. tot in bijzonderheden na te kunnen gaan.
Middelpunt van het vrij uitgestrekte gebied was van ouds het totvesting gemaakte stadje Breedevoort, binnen welks muren zieh heteeuwenoude kasteel of zoogenaamde „huis" bevond, dat door wateren bolwerk van het overige stadsdeel — in dien tijd ter onderscheidinggewoonlijk „de vlecke" genoemd — gescheiden was. Het zeer moe-rassige Swanenbroeck en andere läge broeklanden (o.a. de Ossenweide)omsloten het plaatsje bijkans geheel met een doorgaans moeilijk be-gaanbaren gordel, zoodat slechts een paar redelijke toegangen: één(westelijk) bij de Aaltensche en één (oostelijk) bij de z.g. Winters-wijksche of Misterpoort aanwezig waren. Een in die dagen benijdens-waardige ligging, die echter ook hare, door den pandheer wellichtniet genoeg voorziene, keerzijde met zieh bracht. Langer en ernstigertoch dan andere misschien heeft Dietrichs pandbezit daardoor de be-geerige blikken opgewekt van de strijdende partijen en heeft het oor-logsgeweld van vijand en zoogenaamden vriend in wisselende ver-houding hier weldra geducht meegesproken.
Maar behalve punt van niet te onderschatten strategische beteekenis,
i) Bovenstaande gegevens te vinden in het Bezwaarschrift van Anholt (zie bovenblz. io aanm. 2) en in de Rentmeestersrekening over 1562, F. S.-S. Arch.