HEY AMBT BREEDEVOORT TIJDENS HET ANHOLTER PANDSCHAP. n
gegeven behoefde te worden. Maar wat Dietrich bewogen heeft indeze voor hem op dit oogenblik nog al bezwaarlijke transactie te treden,spreekt niet zoo voor zieh zelf en wordt ons ook niet nader verklaard.Voldoende contanten bezat hij op het moment niet, daar hij nog pasenkele maanden geleden de koopsom voor de bannerij Baer had betaald,zoodat hij genoodzaakt was door beleening van diverse eigen goederenaan deze zoowel ais gene zijde der grens de vereischte pandpenningenvoor Breedevoort machtig te worden. Ook in het Breedevoortschebezat hij reeds verscheidene eigendommen i) en mogelijk is het welmede daaraan toe te schrijven, dat het hem niet onverschillig zijnkon, wat er met het Geldersche ambt, dat trouwens aan de Dinxper-losche zijde vlak aan Anholt paalde, anders wellicht gebeurd zou zijn.
Voor de voorwaarden, waaronder Dietrich het pandschap toegewezenkreeg, zij naar den pandbrief verwezen, waaraan kan worden toege-voegd, dat behalve de daarin genoemde pandsom nog ruim ioooo guldenbetaald werd voor een partij gekochte boomen, welke terstond bij deoverdracht uitgehouden waren. Opgemerkt zij verder, dat, hoewel depandbrief als datum van uitgifte 19 September draagt en de inhuldigingvan den nieuwen pandheer eerst in December plaats vond, Dietrichsbemoeiingen met het ambt toch reeds van Juli en Augustus dateeren.
Den 9 Mei 1562 had van Rossems erfgenaam, Hendrik van Isendorn,Breedevoort verlaten en waren de Raadsheer Frederik Boeymer enzijn adjudant Christoffel Spirinck aangewezen om met de aanwezigeambtenaren namens den Koning het ambt weer in eigen beheer tenemen. Maar zoodra de onderhandelingen met Dietrich voorloopighaar beslag gekregen hadden, konden zij van stonde af aan beginnen,te zamen met den aanstaanden pandheer de finesses der overdrachtzooveel mogelijk ter plaatse zelf te regelen en af te wikkelen. Methen nam Dietrich den zeer verwaarloosden toestand van diverse ge-bouwen en hoeven op en regelde met hen de wijze, waarop de her-stelling, welke hem toegezegd was, zou geschieden. Christoffel Spirincknam zijn intrek te Breedevoort en bleef daar nog verscheidene maanden,terwijl de commissaris Boeymer — soms ook Thomas Gramay ofReinier van der Dois — geregeld uit Arnhem overkwam. De molente Aalten bleek een ru'fne; over de brug voor de Aaltensche poort teBreedevoort kon geen koe veilig worden geleid; het huis Breedevoortverkeerde in alles behalve gunstigen toestand, de meeste ruiten warenstuk en op verschillende punten behoefde het muurwerk herstel;'t bouwhuis te Breedevoort zakte bijkans in elkaar en diende geheelnieuw opgetrokken te worden, enz., enz. en aan al deze werken werdmet bekwamen spoed de herstellende hand gelegd. Ook het „huis"
1) O.a. de z.g. Stortelersgoederen in het Woold onder Winterswijk, waaruit hij eenlosbare jaarl. rente van 210 silb. Thaler voor 3500 silb. Thaler aan Rutger van Graes ver-kocht, welke renten weldra door den oorlog oninvorderbaar werden en waarover tusschenpartijen een geschil ontstond, dat eerst in 1643 door hunne nazaten is vereffend; oork.1061, 1062, 1688, 2089 e. m. a., Bestand Anholt, F. S.-S. Arch.