Druckschrift 
Het ambt Breedevoort tijdens het Anholter pandschap : 1562 - 1612
Entstehung
Seite
124
Einzelbild herunterladen
 

124 HET AMBT BREEDEVOORT TIJDENS HET ANHOLTER PANDSCHAP.

al de fortificaties te siechten, mits het garnizoen verdween. De Staten-Generaal remitteerden dit request aan de Staten van Gelderland,,vrientlyck versoeckende ende recommander ende, dat uwer G. (opteredenen daerinne int lange verhaelt, met alle goede ende favorableconsideratien leitende) gelieve den voors. heer Remonstrant mitte besteverseeckertheyt op sijn versoeck te geven contentement" i).

16 Febr. 1610 werd door het Hof te Arnhem een request behandeldvan de jonkers van Breedevoort (de inwonende adel) om het pand-schap te lossen; hun werd geantwoord, dat de opzegging een jaar van tevoren moest geschieden en dat in dien tusschentijd de toestemmingvan de Landschap gevraagd behoorde te worden.

Ruim twee jaren later, 23 Juni 1612, kwam de zaak verder. Degedeputeerden van de 3 kwartieren — het Overkwartier was nog inSpaansche handen —, voor het Hof bijeengeroepen, namen een gun-stige beschikking op het verzoek van Prins Maurits om de heerlijkheidBreedevoort te mögen lossen. De opzegging was van te voren ge-schied door den momber en den landrentmeester-generaal, met eenbod van 50.000 gld. aan den heer van Anholt. Na advies van Hofen Rekenkamer, „aangezien het Land aan Z. Exe. zoo zeer gehaldenis",werd het verzoek ingewilligd, op gelijke voorwaarden als de pand-brieven van den heer van Anholt behelsden en dat op 't stuk vanreligie, ophef van 's Lands middelen, schottingen, appellen enz. dezestreken aan de souvereiniteit van het Land onderworpen zouden wezen.Wanneer de heer van Anholt méér dan het genoemde bedrag zouvragen, „zal zulks in 't vriendelijke mögen worden gevonden of andersdoor 't Hof moeten worden vereffend, éér dat Z. Exe. er op in zalmögen gaan"; en Z. Exe. wordt verzocht, bij de aanstelling van ambte-naren landzaten voor te doen gaan.

Den igden Oct. 1612 verscheen G. Monteras, thesaurier-generaalvan Z. Exe, om de bedungen penningen aan den momber en land-rentmeester ter hand te stellen, echter zonder de gevraagde verhooging,waarover de Landschap nog nader zou beslissen. Den 20sten had deuitbetaling aan het Anholtsche huis plaats en wel in handen van Dietrich,den oudsten zoon, bannerheer van Baer en Lathum en pandheer vanBreedevoort. De volmacht om deze handeling te verrichten, hemdoor zijn moeder, zijn broeder Johann Jakob, eveneens pandheer vanBreedevoort, en zuster Elisabeth, Freifräulein van Anholt, op 16 Oct.1606 gegeven, is het laatste stuk uit onze verzameling 2). De betrekkingtusschen Breedevoort en het steeds zuiver Roomsch-katholiek geblevenen door en door Spaanschgezinde huis van Bronckhorst-Batenburgte Anholt is hiermede geeindigd.

1) 6 Nov. 1609, copie, Kriegsakten no. 256, Bd. XII, F. S.-S. Arch.

2) Bijlage LXXXIII.