HET ANHOLTER PANDSCHAP 1562—1612. 123
diende te worden. De beul uit Coesfeld was daarbij noodig en vanoudsher verbleef deze te Breedevoort op kosten van den drost. DatGoswin van der Lawick dit op zieh wilde nemen, was thans nauwelijkste veronderstellen. Ook over de zittingskosten van de keurnooten wasmen het maar niet terstond eens. Het Hof eischte, dat ze half uitde pandgoederen, half uit het ambt zouden gevonden worden. Eencautie van 400 gulden, welke de pandvrouwe hiervoor stelde, achtte dedrost, die maar vast arrest op de pandgoederen gelegd had, niet eens vol-doende. Vóór men het eens was geworden, was de schuldige ontsnapti) !
Ook in belangrijker opzicht werd aan het Anholtsche huis duidelijkgemaakt, dat de uitoefening van de noodige macht in de pandheer-lijkheid door Gehe niet maar 200 prijsgegeven kon worden. Wantop een verzoek van de pandvrouwe om hare ambtenaren te ontslaanvan den eed aan de Landschap, lichting van het garnizoen, neutraliteits-verklaring of althans inruiming van het kasteel, werd afwijzend be-schikt. Het hoofdargument was, dat de heer van Anholt en zijnzoons, hoewel lidmaten en vasallen van 't Land, de partij van denvijand gekozen hadden; en dat stad en slot onder beleid van ZijneExcellentie in 1597 wederom met Gelderland waren „geheeld" en ge-redueeerd onder de gehoorzaamheid van de Generaliteit, waardoor deLandschap het recht had gehad iure belli ze aan zieh vervallen teverklaren, maar dat men uit gratie toch de restitutie had geaecordeerd,mits de ambtenaren onder den eed aan 't Land zouden blijven staan.Maar de pandvrouwe was de overige voorwaarden — herstelwerken —niet nagekomen en dus had de Landschap nu weder het genot derdomeinen en uitoefening der civiele en crimineele jurisdictie. Lichtingvan het garnizoen en inruiming van het slot, dat juist de eenige sterkteder stad was, schenen volkomen voorbarig 2).
Zoo trad het Bestand in. Juist een half jaar na bovengenoemdendank- en bededag, en wel op 6 November 1609 diende Dietrich eenrequest in bij de Staten-Generaal, waarin hij de geheele politieke ge-schiedenis van het Anholter pandschap vooreerst nog eens kort —en van het schijnbaar objeetieve standpunt van verplichte gehoor-zaamheid aan den Spaanschen koning bezien — weergaf. Dus weeshij er op, dat het onderhoud der staatsambtenaren, waartoe hij ge-dwongen was, het pandbezit geheel infructueux maakte en dat deeenige weg, om er nog van te genieten, deze zou zijn, dat hij en zijnmoeder zelf weder 3) op het huis zouden gaan wonen en de zakenbesturen, met afschaffing van de ambtenaren. Vervolgens beredeneerdehij, dat het land veel te groóte kosten verspilde aan het garnizoen teBreedevoort; als bannerheer van Gehe en Zutphen verzoebt hij om
1) Gertrud aan Lawick en Gertrud aan Vockinck, 29 Mei 1606, conc, Handschrift IX,Blatt 297'; Kanselier en Raden aan Gertrud, 4 Juni 1606, orig., Akten Bredevoort no. 28;Gertrud aan Kanselier en Raden, 16 Juni 1606, en Gertrud aan Vockinck, 18 Juni 1606,conc, Handschrift IX, Blatt 303', 306', F. S.-S. Arch.
2) Mem. en Res. v. h. Hof, 11 April i6o8, R. A. Arnhem.
3) Dit was nog nooit geschied.