120 HET AMBT BREEDEVOORT TIJDENS HET ANHOLTER PANDSCHAP.
[nieuwe] sauvegarde wel wilden dragen, waaruit blijkt, dat men ziehbewust was, in werkelijkheid niet vrij van contributie te kunnen blijven.Gerardi antwoordde dan ook in dezen zin en gaf te kennen, dat ergeen kans was, om zulk een sauvegarde los te krijgen: daarvoor ver-wachtte men aan het Hof toch te groóte geschenken; maar bovendienoordeelde hij, dat de oorlog van Spaansche zijde zoo slap gevoerdwerd, dat het leger toch wel niet over den Rijn zou kunnen komenen de contributieheffing effectief maken i). Op zijn advies wenddeGertrud zieh nu tot den Spaanschen stadhouder van Gelderland,Herman van den Bergh te Venlo, die, als chef van den gouverneurvan Geldern, volkomen tot haar bevrediging antwoordde 2). Dit ishet laatste in de reeks van bewijzen van welwillendheid en betrouw-baarheid, door de Van den Berghs sinds 1581 aan het huis Bronckhorst-Batenburg gegeven 3). Ofschoon haar in verband met de opheffingder confiscatie door de Staten verboden was om oorlogscontributieaan de Spanjaarden op te brengen, beheerschten zoowel vrees alsinnerlijke gezindheid de pandvrouwe zoodanig, dat dit vérbod ookondanks haar gebrek aan betaalkracht, niet gehoorzaamd werd 4).
1) Gertrud aan Gerardi, 27 Sept. 1603, conc, Handschrift IX, Blatt 133'; 2 brievenvan Gerardi aan Gertrud, van 21 Oct. 1603, orig., Bronckh. Korresp., no. 28, F. S.-S. Arch.
2) Bijlage LXXXI.
3) Boven, blz. 77.
4) Urkundenbestand, no. 1684, 18 Jan. 1604; Gertrud aan Lambert de Croisillez,heer te Walburg, gouverneur van Geldern, 8, 17 Mei 1604; aan Borckeloe, substituut-ontvanger, 22 Mei 1604, conc, Handschrift IX, Blatt 173', 178', 179, F. S.-S. Arch.