Druckschrift 
Het ambt Breedevoort tijdens het Anholter pandschap : 1562 - 1612
Entstehung
Seite
80
Einzelbild herunterladen
 

8o HET AMBT BREEDEVOORT TIJDENS

teekenen ook thans weder den toestand van onzekerheid, waarin deheerlijkheid nog lang zal verkeeren en waartegen het eigen vendelniet opgewassen is.

In een zeer uitvoerig stuk aan Verdugo, gouverneur van Friesland,Overijsel, Groningen en Lingen, bepleit Dietrich, die door zijn neefGoswin van Raesfeldt, Peter de Monte, koninklijk commissaris, en dendrost van Breedevoort persoonlijk te Rees over alles ingelicht is,de belangen der heerlijkheden en die van zijn schoondochter enkleinkinderen. De toestanden worden steeds knellender en ongunstiger.Vele inkomsten uit zijn goederen moet het huis Bronckhorst-Batenburgderven; de betalingen, waartoe de boeren gedwongen worden door deSoldaten, gaan steeds door; luitenant Taxis, bevelhebber te Breedevoort,heeft steeds meer noodig, omdat de aangewezen kwartieren van hetcontributiegebied natuurlijk steeds minder bij machte zijn, op tebrengen. Uit eigen middelen kan Dietrich niets meer doen, want hetis hem gebleken, dat Jakob voor zijn beide vendéis en het geheelevan Rennenburg overgenomen Geldersche regiment buiten weten zijnsvaders groóte sommen heeft voorgeschoten. Voor de belangen vanBreedevoort weet Dietrich geen verwant als voldoende deskundigvertegenwoordiger aan te wijzen, in het bijzonder geen, die aan deKatholieke religie en den Koning getrouw is — en hij zelf wil van zijnleven geen ander altaar dulden i). Goswin van Raesfeldt is om eenof andere reden door Verdugo van zijn post als bevelhebber te Anholtontheven; het patent voor de beide vendéis van Jakob is door Parmagegeven aan diens oudste zoontje; maar nu meent Dietrich, dat hijdan zelf tijdelijk te bevelen heeft en Goswin, die een dure gast scheente zijn, wel uit Anholt vertrekken kan... of men moet dezen toch weerin zijn oude functie willen herstellen 2). Hierin is Verdugo den grijzenAnholter weinig ter wille. Zoodoende komen de oude klachten weerterug. Waalsche en andere troepen, w. o. ook ruiters, die te Groenloliggen, dus van het andere vendel, ontnamen in den zomer aan huis-lieden, die feitelijk tot het Anholtsche contributiegebied behoorden,400—500 stuks vee; voor 5 koeien had men 32 thaler, voor 2 koeien22 thaler rantsoen moeten geven. Daarmede was de opbrengst vandit kwartier wel uitgeput 3). Eindelijk wendt Dietrich zieh regelrechttot Parma 4). Hij wijst op de kosten, boven genoemd, die zijn zoonvoor de légers heeft gemaakt; in 3 jaren tijd hebben deze troepen —

1) Dietrich van Bronckhorst aan Verdugo, 15 Aug. 1583, copie, F. S.-S. Arch. Vgl.boven, blz. 51, aant. 2 en de volgende woorden in een brief van Dietrich aan zijn zoon,19 Sept. 1578 (F. S.-S. Arch.): „In gleichen wilt mein dienstliche erbiedung an dem hernStadhelder doen. Und so voell dem punet van veranderinge der Religion angaet, daringedencke ich nit to consentiren, sonder will bei alsulchen geloven verblieven woe my mijnelderen gelehrt".

2) Dietrich von Bronckhorst aan Gertrud von Milendonck, 12 Sept. 1583, orig., Kriegs-akten no. 256, F. S.-S. Arch.

3) Adolf Fonck aan Peter de Monte, 31 Aug. 1583; vgl. de regeling van 15 Nov. 1583,orig., Kriegsakten no. 256, F. S.-S. Arch.

4) Oct. 1583, cone, Kriegsakten no. 256, F. S.-S. Arch.