HET ANHOLTER PANDSCHAP 1563— 1612. 69
Duitsche ruiters geplunderd en heeft 50 man meer bezetting noodig,die er 6 weken later echter nog niet zijn 1). Lochern vraagt verlichtingvan het onderhoud der ingekwartierde Soldaten, voor wie de burgers,die zij zouden beschermen, beginnen te vluchten 2). Het Hof Staatechter den onderdanen niet toe, zieh uit de moeilijkheden te redden,door zieh met den vijand „in settinge" te begeven 3). Hiertoe trachtJakob van Bronckhorst o.a. die van Warnsveld te bewegen. Hij doethet in naam van den koning van Spanje en zegt hun door middelvan Palyck van Marckeloeff aan, dat zij alleen längs dien weg ziehvoor plundering, brandschatting en gevangenneming zullen kunnenvrijwaren 4). In dezen tijd wordt Seyno van Dorth aangezocht omhet ambt van landdrost van Baer over te nemen, daar Jacob van Om-meren het blijkbaar volkomen moe is, waartoe hij zieh echter alleenbereid verklaart, als hij voldoende voetknechten en ruiters ter be-schikking zal krijgen. De kans hierop bestaat, nu de Gedeputeerdender Unie voornemens zijn, de defensie van de Graafschap te reor-ganiseeren 5).
Middelerwijl rijst tusschen den heer van Anholt eenerzijds en dengraaf van den Bergh anderzijds een berg van vijandelijkheden. Hier-over moet bijzonder gesproken worden. Toen Hegeman met zijnGeuzen op marsch naar Anholt was, vluchtten, behalve andere be-woners uit den omtrek, 00k onderdanen van het graafschap Berghmet have en goed binnen Anholt, waar ze zieh veilig achtten voordeze troepen — overigens van hun eigen partij — die overal plun-derden, en niet vreezende voor de pest, die toen in het stadje woedde.Zij dachten niet aan de mogelijkheid, dat Anholt ingenomen zouworden, daar het op Duitsch grondgebied was gelegen. Toen dittoch gebeurde, verscheen reeds den dag daarop Derick Rypperbant,drost van Ulft (Bergh) en richter van Gendringen, voor de poortvan Anholt, om met Hegeman te spreken, daar het verblijf der Bergh-schen in de stad nu geen zin meer had en zelfs schadelijk voor henkon worden. Uit getuigenverklaringen 6) zijn hierover verschillendebijzonderheden bekend; de getuigen leggen er den nadruk op, dater vriendschappelijk verkeer heeft plaats gehad tusschen Berghschenen de Geuzen en het gevolg van Rypperbants tusschenkomst is danook geweest, dat de Berghschen weldra met hun goederen ongehinderduit de stad vertrekken mochten. Zelfs wordt verhaald, dat één der
1) Corresp. van het Hof met het kw. v. Zutphen, 4 Nov. 1580, no. 5683 en 19 Dec.1580, no. 5719, R. A. Arnhem. De Duitsche ruiters zijn zeker die van Hohenlohe, diein dezen tijd zeer veel last veroorzaken, bijv. Corresp. de Gueldre et de Zutphen, 19 Jan.1580, no. 3527, 15 Maart 1580, no. 3553, 37 Oct. 1580, no. 3693, R. A. te Brüssel.
3) Corresp. van het Hof met het kw. v. Zutphen, 18 Nov. 1580, no. 5693, R. A. Arnhem.
3) Corresp. van het Hof met het kw. v. Zutphen, 39 Nov. 1580, no. 5699, R. A. Arnhem.
4) Corresp. van het Hof met het kw. v. Zutphen, 1 Dec. 1580, no. 5704, waar bij gevoegdcopie van den brief van Marckeloeff aan die van Warnsveld, R. A. Arnhem.
5) Corresp. van het Hof met het kw. v. Zutphen, 3 Dec. 1580, no. 5706, R. A. Arnhem.
6) 3 Dec. 1580, orig., Urk. no. 1398, F. S.-S. Arch.