46 HET AMBT BREEDEVOORT TIJDENS HET ANHOLTER PANDSCHAP.
Uit de Geusenperiode — de „goeserie" — van 1572 zal het niet moeilijkgevallen zijn, bezwarende punten tegen Daniels naar voren te brengen.Kennelijk is hier echter een latere période bedoeld; en de klooster-visitatoren hebben niet gezegd, maar „sullen wel moeten erkennen",dat de prediking niet zuiver was. Onmogelijk is het natuurlijk niet,zelfs waarschijnlijk, dat een ex-monnik als Daniels hier en toen nietmeer slaafsch-traditioneel handelde en sprak. De gevolgtrekking temaken, dat hij Protestantsch gepredikt heeft, ware echter ongeoorloofd.Ten slotte wordt in ditselfde stuk, ter verdediging tegen de opmerkingvan Kanselier en Raden, nog gezegd, dat na de verjaging van ArnoldDaniels conventualen van Schaer en de pastoor en kapelaan van Win-terswijk in den dienst getrouw hebben voorzien.
Eindelijk is Dietrich van Bronckhorst duldensmoede. Kort en kloekdeelt hij zijn drost mede, dat er met Arnold Daniels afgerekend moetworden. In letterlijken zin vooreerst, maar uitsluitend over de maandenvan zijn komst te Breedevoort tot aan den inval der Geuzen, meerniet. En vervolgens schrijft de pandheer grimmig: „soe hy sich mitsyner huyren nit van daer maecken will, sein ick gewisslich bedacht,den dieffhenger tho beschicken, umb sie beide an eenen boem hangent'laeten". Want de verjaagde man scheen bij Kanselier en Raden zóógesproken te hebben over de politieke daden van Dietrich, dat dezevoor de ongenade van Alva begon te vreezen.
Arnold Daniels heeft toen elders een goed heenkomen gezocht