Druckschrift 
Het ambt Breedevoort tijdens het Anholter pandschap : 1562 - 1612
Entstehung
Seite
45
Einzelbild herunterladen
 

HET ANHOLTER PANDSCHAP 1562— 1612. 45

pastoor doet de reeds bovengenoemde Prior der Predikheeren teZutphen den drost aan de hand: „Hadden Canceler ende Raede en deMunstersche Doemcoster geweten, dat hie eyn menedich verlopenmonnick weer gewest", 200 schrijft hij, „sie solden so niet voir heman mijn Edelen Heren van Anholt hebben geschreven, ja, solden sondertwyfell dat contrarium gescreven hebben, diewyel hem gien onrechtgeschiet, want hie der pastoriën niet ontfencklick is, daerom oick decollatio, institutio et possessio, als hie praetendeert, gans niet vanwerden können sijn. Ende dat hie sich beroepet op synnen competentenrychter, daer hie sich to rechte biedet, moet hie totten prior bynnenUtrecht sich voegen, die sijn competens iudex is. Die sal hem oicksijn recht wal laten wedervaren, daerna hem tokomen sail, want ditniet die irste mael is, dat hie verloopen hefft".

Met deze laatste beschouwing deed nu de heer van Anholt terstondzijn voordeel. Kanselier en Raden, die den drost het optreden tegenArnold Daniels kwalijk namen, liet hij antwoorden, dat het des pand-heeren bevel en recht was; nergens was de pandheer op zulk soortvan verzet gestuit. Bovendien zou de pastoor vooral om der willevan zijn bijzit de tusschenkomst van Kanselier en Raden hebben in-geroepen om weer te Breedevoort toegelaten te mögen worden. Maarden pandheer ging de zuiverheid van den Katholieken godsdienstboven alles 1). De Koninklijke Raden weken echter niet; tien dagenlater vreesde de drost nog voor het dreigement van Daniels, die voorde Mister poort was gekomen, dat hij met Soldaten uit Arnhem wederZou keeren 2); en daarna meldde hij zijn heer, dat de geheele burgerijdoor den pastoor scheen samengeroepen te zullen worden. Onder-tusschen werd een rapport opgemaakt, waarin alle bezwaren tegenArnold waren samengevat, en die wij grootendeels reeds kennen,n.l. 't verwaarloozen van bepaalde diensten, zijn leven in concubinaat(„etliche kinder geworven") en zijn vlucht uit het klooster te Utrecht,die hij zelf bekende. Nieuw is in het stuk alleen dit gedeelte:

„Item whoe ehr sich mit unnutten smeheworden up bisschoppen,kanonicke, monnicke und dergelicken religiösen in siner predicatiedagelix geholden, wil men sich referert hebben tot den prioren undconventualen des conventz Schaer, itziger tidt binnen Brefordt rese-derende. Und so desselven conventz visitatoren korts hier gewest undsine missen t'doene gesien und predicatie gehört heben, sullen dieselveoick erkennen moten, dat sijn celebratie der missen und der gehoirtesante (?) worte siner predicatiën der catolischer religion gaer und ganscontrarye".

Met dit getuigenis moeten wij nu echter wel heel voorzichtig zijn.

1) Aldus schreef de drost dan 00k aan het Hof met afschriften van de Verklarungender prioren van Zutphen en Utrecht als bewijsstukken, 30 Juli 1573, Corr. v. h. Hofmet het kwartier van Zutphen, no. 4537, R. A. Arnhem.

3) Hetzelf de door getuigen voor den rechter verklaard, 11 Aug. 1573, Reg. no. 1348,K. 30, F. S.-S. Arch.