HET ANHOLTER PANDSCHAP 1563—1612. 39
liggen, die ik ter wille van den heer van Anholt niet wensch te verliefen.Ik denk mij aan te sluiten bij de Ridderschap en de stad Zutphen. Ditwas nog vóór den val van Breedevoort, maar Zutphen was reeds inhanden van de Geuzen. Hij moet toen 00k de opdracht aan zijn vrouwgelaten hebben, dat zij, wanneer z ij n z w a g e r Gisbert van Heerdein naam en met Soldaten van den graaf voor Breedevoort zou komen,hem moest binnenlaten; koninklijk krijgsvolk daarentegen niet, wantdan had de graaf beloofd, hem aan een boom te zullen doen ophangen.Van Heerde was binnen, voordat de drost uit Zutphen tefuggekeerdwas, en liet hem onbarmhartiglijk een dag voor de poort wachten,voordat hij hem binnenliet. Zij woonden toen een tijdlang samen op't huis, maar of ze daar een drinkgelag aangericht hebben, konden degetuigen niet verklaren 1).
Het misnoegen van Dietrich over den drost was reeds bijna gelijk-tijdig ontstaan met den val van Breedevoort. Dit blijkt uit een schrijvenvan hem aan zijn zoon Jakob van 12 Febr. 1573. Hij schrijft, dat menhem voor waar had verhaald, dat Jaspar van Broickhuysen „umb sijnfuil schoen tho maecken" alle correspondentie tusschen drost en heeren die tusschen Willem van den Bergh en Dietrich en bovendien zijneigen aanteekeningen te Arnhem bij den Kanselier heeft laten be-sorgen. De dienaar, die met de overbrenging belast was, moet ze aanden broeder van Jaspar, Mr. Jan van Broickhuysen, hebben laten zien,die hem aanried, ze niet in te leveren, omdat dit voor Jaspar geen nutkon hebben en Dietrich van Bronckhorst misschien schade zou doenbij den hertog van Alva. De brief eindigt met Dietrichs verwachting,dat men wel voldoende getuigenissen bij een zou kunnen brengen omte bewijzen, dat de drost de oorzaak is geweest van het wegnemenvan de kanonnen uit de vesting door Willem van den Bergh; mentaime niet met het verzamelen van bewijzen 2).
Deze uitlatingen zijn hierom van belang, omdat ze aantoonen, hoeDietrich van Bronckhorst dus partij had gekozen, niet alleen wataangaat de moeilijkheden, die hem door Breedevoort werden ver-oorzaakt, maar 00k in politieken zin. Hij wil voorkomen, dat de hertogvan Alva hem verdenkt van niet-koningsgezindheid. Hij wil in detweede plaats voorkomen, dat men aan Spaansche zijde 't vermoedenmocht krijgen, dat hij, door het leenen van geschut, de Geuzen in1572 gesteund zou hebben. En ten slotte vreest hij zelfs voor hetopenbaar worden van zijn eigen correspondentie uit dien zomer,omdat hij daarin waarschijnlijk in Spaansche oogen veel te neutraalvoor den dag is gekomen, terwijl, wat den drost betreft, er natuurlijkslechts uit zou kunnen blijken, dat deze par force majeure heeft gehan-deld. Dit ontwerp-schrijven is, wanneer het nog noodig is na den blik
1) Orig., Urkundenbestand Anholt, 11 Sept. 1574, no. 1268, F. S.-S. Arch.
2) Cone, Akten Breedevoort, no. 18, F. S.-S. Arch. Vgl. 00k het schrijven van Dietrichvan Bronckhorst aan Hertog Erik van Brunswijk van 27 Oct. 1572, Abschriebung, S. 90,F. S.-S. Arch.