34 HET AMBT BREEDEVOORT TIJDENS
Den 3den Juli 1572 wordt de rentmeester Jakob van der Capellennaar de Kreisvergadering te Essen gezonden om namens Dietrichtegen den inval van Van den Bergh in Breedevoort te protesteeren,hulp tot terugverkrijging daarvan te vragen en bescherming tegenden eed, die van hem gevraagd werd. Ondertusschen had Andriesvan Anderlecht, landdrost der Graafschap, aan Alva geschreven, datBreedevoort door den pandheer aan Van den Bergh overgegevenwas 1), een misschien voor de hand liggende, maar voor Dietrichkwetsende mededeeling. Van den Kreisdag te Wesel gaat iets later,den i7den Juli, een brief naar Willem van den Bergh uit, waarin eerstuiteengezet wordt, hoe Dietrich zieh beklaagd heeft, dat de graaf hemtot buitengewone verplichtingen had gedwongen, dat er knechten „inde heerlijkheid Anholt" gelegd worden en hem op nog andere wijze,in strijd met de rechten van het heilige Roomsche Rijk, last aangedaanwordt en zekere, hem toebehoorende, documenten te Doesburg 2) vast-gehouden worden. Door den overste en ritmeester van den graafwas wel aan den Kreisdag verklaard, dat men niet de bedoeling hadZijne Roomsch-Keizerlijke Majesteit of eenige „stende" van het heiligeRijk aan te tasten, maar aangezien niet alleen de heerlijkheid Anholt,doch ook sommige stukken, die bij het huis Breedevoort in gebruikzijn, aan het Rijk en den Nederlandscb-Westfaalschen Kreis onder-worpen zijn, verwacht de Kreisdag, dat Dietrich zoowel te Anholtals „in seiner wohlerworbenen Possession des Hauses Bredevoort"vrij van lasten en van eedsafleggingen gelaten mag worden.
Vijf dagen later antwoordt Willem van den Bergh hierop aan denKreisdag te Wesel met ongeveer de volgende lezing van de gebeurte-nissen: als gevolmachtigd Overste en Luitenant op bevel van denPrins van Oranje, ten dienste des Konings tegen de Albasche vijandender Erf-Nederlanden, hebben wij, op onzen tocht naar Zutphen, huisen stad Breedevoort, tot het vorstendom Gelre en graafschap Zutphenbehoorend, laten opeischen, niet laten innemen. Toen wij vervolgensde stad Zutphen den 5den Juni hadden veroverd, heeft de heer vanAnholt Johan van Meverden en zijn Anholter richter 3) den iödenJuni tot ons gezonden om ons alle vriendschap en de openstellingvan het kasteel aan te bieden, wanneer wij hem een recognitie wildengeven, dat zulks zijn pandrechten niet zou verminderen. Vertrouwende,dat hij zieh niet als vijand maar, volgens zijn eigen aanbod, als vriendtegenover den Prins en ons zou gedragen, hebben wij hem die recognitiegaarne willen geven. Hierop is zulk een goede verstandhouding tusschenons en hem en Jaspar van Broickhuysen, drost te Breedevoort, ont-
1) Anderlecht aan Alva, 29 Juni 1572, Corr. de Gueldre et de Zutphen, XIV, f. 316,R. A. Brüssel; Gelre VIII, biz. 112.
2) Documenten, die in het Fraterhuis te Doesburg in een kist bewaard werden, be-trekking hebbende op Breedevoort. Ritmeester Bernhard van Merode, een onderbevel-hebber van Van den Bergh, had ze tegen den wil der heeren Van Styrum, Batenburg,Nesselrode e. a., erfgenamen van Catharina van Voorst, laten wegnemen.
3) Vgl. boven, biz. 31.