HET ANHOLTER PANDSCHAP 1562— 1612. 33
te verlaten, de helft van zijn huisraad en provisie aan Heerde af testaan en een inventaris van alies, wat op het huis aan Dietrich toebe-hoorde, in te leveren. Terwijl hij te Zutphen was, liet Heerde denieuwe maatregelen in de kerk afkondigen. Nu moest Jaspar gaan enhij wist niet waarheen. Zijn huis had men twee dagen lang geplunderd;zijn ossen en een rijpaard werden hem afgenomen en verkocht; methet koren en het hooi, dat hij zelf had geoogst, handelde men, alsofhij het gestolen had. „Dat was het loon voor zijn trouwe diensten" 1).Engelbert Holstein, voogd te Breedevoort en Aalten, een oud man,schreef eveneens aan Dietrich, dat Van den Bergh hem tot den eeddwong, omdat hij hem anders als vijand dreigde te zullen behandelen.Hij wist geen raad meer. Tweemaal verkreeg hij nog uitstel, doormedelijden. Maar nu moest vóór Zondag — d. i. binnen vijf dagen —de beslissing vallen. Werd hij gedwongen zijn functies in de pand-heerlijkheid, waarvan hij en de zijnen bestaan moesten, neer te leggen,dan zou dat eenvoudig een jammerlijk verderf voor hen beteekenen.Dus vroeg hij Dietrich-, voor hem bij den graaf ontheffing te vragenvan den vereischten eed; of hem ¡self te ontslaan van zijn eed als voogdaan den pandheer 2). Het is duidelijk, dat Dietrich het eerste nietkon en het tweede niet wilde. Na zes weken vernemen wij nog, hoeDietrich dezen Holstein — die dus toen nog fungeerde — en Rutger,den natuurlijken zoon van Graes, voogd te Winterswijk, verbiedtHeerde te gehoorzamen 3); eveneens, hoe hij Peter Dogewardt 4) verwijt,dat deze zieh door de invallers tot drost van Dinxperlo heeft latenaanstellen, daar hij vroeger beëedigd voogd onder Dietrich was ge-weest; hij sommeert hem, onmiddellijk den dienst van Heerde testaken, daar de pandheer aan dezen geen enkele bevoegdheid heefttoegekend. De brief, die dit behelst, heeft het volgende booze adres:„An Peter Dogewardt, den vermeindten und unbestendigen, auchehrlosen Vaigten itzonder zu Dinsperloe, durch Gisberten von Herdeals einen geweidigen bevelchabern 5) unser Herligkeit Bredefordtverordent" 6). Zichzelf houdt Dietrich op den achtergrond in veiligheid.Van Van den Bergh vernemen wij wel, dat hij telkens persoonlijk ver-scheen, van Dietrich nimmer. Hij deed al het mogelijke om te toonen,dat hij slechts zijn rechten verdedigde, zonder zieh bij één der strijdendepartijen aan te sluiten. Maar in zijn hart was hij niet neutraal; en deGeuzen wilden hem de keus niet laten.
Belangwekkend is daarom de correspondentie, die Dietrich gevoerdheeft met den Nederlandsch-Westfaalschen Kreisdag ter verdedigingvan zijn rechten tegenover den invaller. Voor zoover de inlichtingenvan het Anholter archief strekken, verliep deze aldus:
1) 13 Aug. 1572, copie, Abschriebung, S. 53V.
2) 13 Aug. 1572, copie, Abschriebung, S. 54.
3) 8 Oct. 1572, copie, Abschriebung, S. 77.
4) Of Dagowerth, boven, blz. 16.
5) Door geweldpleging bevelhebber geworden.
6) 8 Oct. 1572, copie, Abschriebung, S. 78.