24 HET AMBT BREEDEVOORT TIJDENS
algemeen verbreide gerucht, dat de „Brederodeschen oder Geusen,wie man sie nennt", samenspannen om huis, stad en ambt van Breede-voort met geweld in bezit te nemen. De pandheer had daarom gevraagd,er een aantal Soldaten op kosten van den Koning te leggen, daar „deeigendom der heerlijkheid den Koning en het pandschap den Heerte Anholt toekomt". Steeds bleef echter het antwoord, dat het gevaarZoo groot wel niet zou wezen. Maar aangezien het gerucht steedssterker wordt, dat de Brederoschen hun verzamelplaats te of bij Winters-wijk, onder het ambt, hadden, vraagt de drost nu nog eenmaal, tervoorkoming van groóte schade, hulpverleening en protesteert hij reedsbij voorbaat tegen de verliefen, die zijn Heer tengevolge eener mogelijkeinvasie zou te lijden hebben i). Aan dit verzoek is blijkbaar geengevolg gegeven. Toch waren het geen looze geruchten geweest, waar-mede Dietrich zijn rentmeester naar Arnhem had gezonden. In die-Zelfde eerste Augustusdagen van 1567 had de drost van Breedevoort,Jacob van der Capellen, voor zeker medegedeeld, dat Hendrik vanBrederode in Gemen, bij graaf Joost van Schauenburg aldaar, wasaangekomen. Te Arnhem was dit niet onbekend; reeds 29 Juni hadhet Hof den landdrost bevolen om onderzoek te doen of te laten doennaar de aanwezigheid van Hendrik van Brederode te Gemen; eenmaand later werd hem weder gevraagd inlichtingen aangaande doen enlaten der Geuzen bij Borken, Gemen en Wezel 2). De Brederoschetroepen waren van Gemen en Borken grootendeels weggetrokken,waarheen wist men niet; alleen de hoplieden waren gebleven 3). Bedoeldis zeker, dat zij ontslagen waren wegens geldgebrek en dat was voorhet platteland, waar zij zieh dientengevolge van het noodige zelf zoudenvoorzien, des te erger. Van Joost van Schauenburg berichtte de drostverder, dat hij het op Breedevoort gemunt zou hebben 4); de bisschopvan Munster wierf reeds zijnerzijds Soldaten; vandaar dat 00k Breede-voort niet langer zonder garnizoen kon.
Ruim een half jaar later wordt door den drost weder Dietrichsbezorgdheid gaande gemaakt door de mededeeling, dat de te Werth(aan den IJssel) liggende knechten — eveneens Geuzen — zieh onderBreedevoort willen legeren. Ook te Werth bezat Dietrich een huis.Hoognoodig oordeelt de drost het daarom, dat de pandheer voorgarnizoen zorgt; men verwondert zieh er over, dat Breedevoort nogniet voorzien is, daar toch alle steden en huizen, die van den Koningzijn, bezetting ontvangen 5). Het is dus duidelijk, dat de Spaansche
1) Register, no. 1184, F. S.-S. Arch.
2) Corr. v. h. Hof met het Kwartier v. Zutphen, min., 29 Juni, 27 Juli, 12 Aug. 1567,ncs. 3265, 3276, 3279/ Rijks-Arch. te Arnhem; zie ook den brief van de Regentes aan denStadhouder, 24/25 Juli 1567, uitg. Van Veen, no. 544, met aant., biz. 599 vg.
3) 6 Aug. 1567, Kriegsakten no. 256, Bd. I, F. S.-S. Arch.
4) Ook recht op Breedevoort beweerde te hebben, volgens dit schrijven. Op welkengrond? Bedoeld kan alleen zijn op het pandschap. Dan zou hieruit reeds kunnenblijken, dat graaf Joost de politieke gezindheid van den Anholter juist taxeerde.
5) 21 Apr. 1567, orig., Kriegsakten no. 256, Bd. I, F. S.-S. Arch.