Druckschrift 
Het ambt Breedevoort tijdens het Anholter pandschap : 1562 - 1612
Entstehung
Seite
16
Einzelbild herunterladen
 

1 6 HET AMBT BREEDEVOORT TIJDENS

schaars vertegenwoordigd. Van beteekenis was er alleen het in debuurschap de Haart gelegen huis Walfort, éénmaal wijd en zijdberucht door zijn vrijstoel (veemgericht) en de strenge heeren, diedaar regeerden. Tijdens Dietrichs pandheerschap zetelde er het ge-slacht Lintelo, dat mede het in de buurschap Daale gelegen huisWelingh bezat.

Het kerspel Dinxperlo eindelijk bestond uit een kleine kom en eenpaar buurschappen, waarin geen adellijk huis aangetroffen werd. Alsvoogd vinden wij er bij Dietrichs pandaanvaarding Peter Dagowerth.

Door een vasten bodedienst, waarvoor de mannet) es door een ser-vituut, dat op hun woningen lag, waren aangewezen, werd de dage-lijksche verbinding tusschen centraal bestuur en de kerspelvoogdenonderhouden. Ontvingen deze laatsten opdr achten, die algemeenepublicatie vereischten — en in den straks volgenden oorlogstoestandkwam dit maar al te dikwijls voor — dan werden volgens hetzelfdestelsel etappegewijze de berichten tot in de verste hoekjes van hetgansche kerspel en ambt doorgegeven of — of tevens — bij z.g. „kerken-spraak" bekend gemaakt.

Zooais reeds opgemerkt lagen er in het ambt een aantal s. g. hof-goederen, waarvan de pandheer zoowel aan jaarlijksche uitgangen alsaan quota bij versterf der bewoners, belangrijke baten trok. Oorspron-kelijk waren al deze bezittingen domein van den landheer geweest,waarvan in den loop der tijden reeds veel was opgeofferd, maar nogaltijd waren zij voor het rentmeesterlijk budget van overwegende be-teekenis. Daartusschen bevonden zieh enkele allodiale bezittingen enleengoederen elders leenroerig, maar ook het huis Breedevoort zelfhad eenige leenen te vergeven, waaronder er waren van aanzienlijkenomvang. Het waren de z.g. borgleenen, aan welker bezitters bijzondereverplichtingen jegens den pandheer waren opgelegd, welke echter,naar het schijnt, niet in alle opzichten duidelijk waren omschreven.Volgens de vrijwel stereotype clausule dienaangaande in de beleenings-acten opgenomen, werd hun vergund „buten den vlecke" (d.i. buitenBreedevoort), maar „in den ampte" te wonen, mits zij, zoo daar „eenighevede off onlust opstonde, tott gesinnen mins gen. heeren off desamptmans in that met all [hunne] proviande ende provisie koemenbynnen Bredefort" i). Wat er niet bijstond, maar blijkbaar als histo-rische traditie werd beschouwd, was, dat desgewenscht de borgmannenhun leenen dienden te „vermannen", dat is: met paard en harnasbinnen de veste dienden te komen, om deze te helpen verdedigen.Als echter in 1573 de pandheer hen aldus toegerust voor de verschrijvingder leenen oproept, komt daartegen van de zijde der borgmannenprotest en blijkt, dat dienaangaande zoowel als ten opzichte van enkeleandere punten de richtige voorschriften ontbreken en zelfs de griffier

1) Zie Sloet, van Veen en Martens van Sevenhoven, Register op de Leenactenboekenvan Gelre en Zutphen, Zutphen, biz. 466 w.