Druckschrift 
Het ambt Breedevoort tijdens het Anholter pandschap : 1562 - 1612
Entstehung
Seite
118
Einzelbild herunterladen
 

Ii8 HET AMBT BREEDEVOORT TIJDENS

In dit stuk zijn voor ons opnieuw van belang de uitingen van haarSpaanschgezindheid. Zij herinnert aan de Verdiensten van haar man,die zijn bloed heeft vergoten voor wijlen den Koning vóór Lochern,als eenige Geldersche baron, „qui dez le commencement des troublesa très fidèlement suivy feu sadicte Majesté", zoodat het nu niet billijkis, dat hare onderdanen door de Spaansche heeren van finantiën be-handeld worden „comme s'ilz fussent ennemis de ce costel"; integen-deel, hare goederen waren geconfisqueerd door den „vijand", d. i.de Staatschen, zoodat zij nu geen inkomsten meer heeft, en zij vraagtom eenige rechten van belastingheffing om in haar eigen onderhoud tevoorzien. Hunne Hoogheden, Albertus en Isabella, waren zoo goedhaar de helft der betwiste gelden te laten houden i). Ondertusschenhad men te Rijnberk al weder een Breedevoortsch onderdaan, ver-dacht van heulen met den vijand, vastgehouden 2). Prins Mauritste 's-Gravenhage — het is niet aan te wijzen, dat dit in verband metdeze gevangenneming Staat — zond aan Breedevoort, met volkomenvoorbijgaan van de immers ontzette pandvrouwe, een uitvoerig schrijvenmet aanwijzingen, hoe men zieh tegen een overrompeling van Spaanschezijde in acht moest nemen. Dat deze brief in het Anholtsche archiefterecht is gekomen, is wel een bewijs, dat Maurits* macht op datoogenblik over Breedevoort niet aanvaard werd 3).

Tenzij het stuk eerst later ingeleverd is. Want op den landdag teZutphen, 23 Maart 1602, werd besloten, de confiscatie op te heffen.De vroeger vastgestelde „amende" zou Gertrud niet hebben te betalen,maar de overige voorwaarden, dat hare zoons niet in Spaanschendienst mochten staan en er geen enkele verhouding met de Span-jaarden mocht wezen, bleven gehandhaafd. Voorts moest zij de kostendragen van het herstel van huis en wallen van Breedevoort en zorgenvoor den bouw van een rosmolen 4). Bij placcaat werden de inwonersder heerlijkheid gemachtigd om wapenen te dragen tot tegenweertegen vijandelijke „loopers", Spaansche contributie-gierigen, en werd depandvrouwe aangezegd, dat 00k in Anholt niemand van de tegenpartijgeherbergd mocht worden 5). Tegen verdenking — hoewel rechtmatige— ten opzichte van dit laatste verdedigde zij zieh scherp 6), evenalstegen de vrijpostigheid van Vijt van Munster, Staatschen wachtmeesterte Breedevoort, die haar nieuw herstelde rechten niet wenschte te

1) Gertrud à son Altèze 3 Juni 1600, met beschikking van Albertus, orig., Albertusaan van Ensse, 7 Juli 1600, copie, Kriegsakten no. 256, F. S.-S. Arch.

2) Onleesbare onderteekening, uit Rijnberk aan Gertrud, 20 Juni 1600, orig.; richterSweer Raeshorn en de inwoners van Breedevoort aan Gertrud, 20 Juni 1600 (o. s.), orig.Kriegsakten no. 256, F. S.-S. Arch.

3) 27 Nov. 1600, orig., Kriegsakten no. 256, F. S.-S. Arch.

4) Besluit van den Landdag, 23 Mrt. 1602, orig., Kriegsakten no. 256, Bd. XII,F. S.-S. Arch.

5) Gedeputeerden aan Gertrud, 12 April 1602, orig., Kriegsakten no. 256, Bd. XII,F. S.-S. Arch.

6) Gertrud aan Gedeputeerden, 26 April 1602, copie, Kriegsakten no. 256, Bd. XII,F. S.-S. Arch.