Druckschrift 
Het ambt Breedevoort tijdens het Anholter pandschap : 1562 - 1612
Entstehung
Seite
102
Einzelbild herunterladen
 

HET AMBT BREEDEVOORT TIJDENS

tributie i). Het gevolg is, dat Verdugo wel niet de slotbewoners, maartoch de burgers van Anholt, dat nog steeds door de Engelschen bezetgehouden wordt, als vijanden behandeld wil zien 2). Zonder genadegaan 00k de Grolsche Soldaten voort, vooral onder Winterswijk, deboeren te schatten, waartegen Johan van Limburg- Stirumweinig vermagof wil doen 3). Broickhuysen heeft bevel, om de vesting te versterken.Maar 00k heeft Cigoigne weder opdracht om in Aalten en Winterswijkcontributie voor Parma te innen 4). Er komt evenwel een gedeel-telijke wending ten goede in deze verwarring, als de nood tamelijkhoog is gestegen 5), doordat Verdugo nu de inwoners van Anholt,„daar zij buiten hun schuld door den vijand overvallen en nog steedsbezet zijn", 00k in sauvegarde neemt en zijn mannen verbiedt, hunschade te berokkenen of hen in het gebruik hunner goederen te be-lemmeren 6). Ten opzichte van Breedevoort blijft hij zijn standpunthandhaven, al erkent hij de pandrechten en pleit hij bij Mansfelt voorhet behoud van deze 7). Verdugo's houding blijft zakelijk en eerlijk.Hij moet in September de besetting van Breedevoort vermeerderen:troepen van Johan van Limburg- Stirum of andere kunnen komen,naar verkiezing 8). Niet zonder reden: uit Arnhem komt van Kanselieren Raden bericht, dat het Staatsche leger op komst is; en dat be-teekent weder een conflict, want Gertrud zal nu moeten beslissen, ofzij de Spaansche troepen zal „doen deslogeren". Men is aan Neder-landsche zijde z.g. ingelicht, dat zij hiertoe de macht heeft 9). Datmoet, zooals wij weten, ontkend worden; het geschiedt dan 00k niet.Voor het overige blijft men in de oude moeilijkheden steken. Hetgrootste deel van de voor ons onderwerp belangrijke stukken uit hetjaar 1593 zijn brieven van Gottfried Gerardi, den zaakwaarnemer derpandvrouwe te Brüssel en Antwerpen, om bij Zijner Majesteits re-geering te trachten gedaan te krijgen, dat, al komt de neutraliteits-verklaring dan niet, tenminste de contributie-invorderingen doorCigoigne — die een siecht bevelhebber schijnt te wezen — beëindigdworden; vervolgens, dat er toch in geen omstandigheden nog meermanschappen onder welk bevel 00k, ruiters of voetknechten, in hetgeplaagde stadje, voor kort of voor lang, gelegerd worden; en ten slotte,

1) Bijlage LXV.

2) Broickhuysen aan Gertrud, 13 Mei 1592, orig., Kriegsakten no. 256, Bd. IX, F.S.-S. Arch, en ben., aanm. 3.

3) Gertrud aan Verdugo, 8 Juni 1592, orig. Kriegsakten no. 256, Bd. IX, F. S.-S. Arch.

4) Broickhuysen aan Gertrud, 22 Juni 1592, orig., Kriegsakten no. 256, Bd. IX, F.S.-S. Arch.

5) Johann von Milendonck aan Gertrud, 18 Juli 1592, orig., Kriegsakten no. 256,Bd. IX, F. S.-S. Arch.

6) Bijlage LXVI en brief, 31 Juli 1592, orig., Kriegsakten no. 256, Bd. IX, F. S.-S. Arch.

7) Bijlagen LXVII en LXVIII.

8) Johan van Limburg-Bronckhorst (te Oldenzaal) aan Gertrud, 22 Sept. 1592, orig.,Kriegsakten no. 256, Bd. IX, F. S.-S. Arch.

9) Kanselier en Raden aan Gertrud, 30 Sept.; Gertrud aan Raden van Staten, 14 Oct.1592, Kriegsakten no. 256, Bd. IX, F. S.-S. Arch.; bijlage LXIX.