HET ANHOLTER PANDSCHAP 1562— 1612. 37
zou willen ontzeggen. Vöorts schrijft hij, dat Dietrich als bannerheervan Baer „in handen van hem den Koning" had moeten zweren enomdat dit niet geschied is en hij zieh 00k overigens vijandig heeft ge-toond, als „ongehoorzaam aan den Koning" en rebel is beschouwd.De brief gaat dan voort met de opmerking, dat Dietrich in dezenvoor den Kreisdag geen waarheid heeft gesproken en dat 00k van dezaak der Doesburgsche documenten niets waar is; ten slotte, dat hijzieh dan maar rechtstreeks bij den Prins moet beklagen 1).
Nog eenmaal vinden wij hierover een uitvoerig en veel verduide-lijkend antwoord van Dietrich aan den Kreisdag te Keulen, 13 October1572. Hij ontkent, ooit beweerd te hebben, dat de heerlijkheid Breede-voort een leen en lid van het Rijk is; hij heeft alleen Anholt bedoeld.Hij hoopt, dat hij bij alle Keizers, Koningen, Vorsten, graven en heeren,die hem ooit gekend hebben, nooit den naam heeft gehad van iemand,die zieh van onware opgaven en opsnijderij bediend heeft. Over debewering van Van den Bergh, dat hij zieh niet aan het Rijk heeftvergrepen, moet het Kammer gericht maar oordeelen 2).
Zeer belangwekkend is het uitvoerige vervolg van dit antwoord.Er wordt in gezegd: „wat de graaf aan verwoesting en berooving vankerken en kloosters en ongehoorde godslasterlijke dingen begaan heeft,is zelfs bij Joden, Heidenen en Türken geen gebruik, laat staan bijChristenen. De kerksieraden gebruikt hij voor zieh zelf, men waagdehet zelfs, de hoogwaardige sacramenten tegen den grond te werpenen te ver trappen; zelfs de graven van zijn voorouders liet hij om derwille van een nietig voordeel, openen". Zoo deden n.l. zijn Soldaten.
„En als de graaf zieh verplicht acht, aan het Rijk onttrokken landen(zie het vorige schrijven) weer terug te geven, dan houd ik mij ervan overtuigd, dat hij geen bevel van Keizer, Keurvorsten en Vorstenheeft en nog minder, dat de Koning van Spanje hem verlof heeftgegeven, zulks te doen.
„De graaf kan 00k niet bewijzen, dat de Prins van Oranje hem bevelgegeven heeft tot de bovengenoemde misdaden, daar deze het zelfin door hem veroverde plaatsen nooit heeft laten doen. En al waredaar ooit zoo iets gebeurd, dan kan ik", zegt hij, „nog niet gelooven,dat het met medeweten en den wil des Prinsen gebeurd is, daar hetniet strookt met zijn voorvaderlijke vroomheid en zijn prinselijkenaard".
De eedsvordering, hem opgelegd als bannerheer van Baer, strijdt00k met alle gebruiken; zoo iets kwam nimmer voor.. En wanneerVan den Bergh meent, dat hij nu door zijn weigering zieh als rebelen vijand tegenover den Koning uitgesproken heeft, dan beroept hijzieh op den Keizer, de rijksstenden en den Koning van Spanje zelf. Wie
1) Willem van den Bergh aan den Ned.-Westfaalschen Kreis, Kampen, 16 Sept. 1572,copie, Abschriebung, S. 8ov.
2) Dietrich von Bronckhorst-Batenburg aan den Ned.-Westfaalschen Kreis, Anholt13 Oct. 1572, copie, Abschriebung, S. 82V.