HET ANHOLTER PANDSCHAP 1562—1612.
en verschreven, met conditie „under anderen, dat hy 't selve huys totKon. Majs. behoef bewaren sal ende van alle nootbouwe onderhaldentot sijn cost buyten lasten van S. Maj." 1).
Tot aan zijn dood in 1555 blijft hij als pandheer gehandhaafd.
In dat jaar treden zijn erfgenamen in zijn rechten en wordt metname Hendrik van Isendorn als zijn opvolger in Breedevoort erkend,die echter reeds zeven jaren later de pandpenningen terugbetaaldkrijgt. „Ende is de lossinge darvan (d. i. Breedevoort) gedaen vanwegen Con. Maj. Philippo van Hispanien als Hertoge van Gelderende Grave van Zutfen, uns aldergenadigsten Here, by ThomasGramaye, in der tijt Lantrentmeester van Gelderlant, uyt handenHendriks van Isendorn umtrent Paeschen anno XVc twee endesestigh"... 2).
Ook thans wordt het vrijgekomen bezit door den vorst weder aan-gewend om in de behoefte aan contante geldmiddelen te voorzien.Voor de som van „vijftig duysent ponden van XL groeten vlems",in drie termijnen vóór 11 November 1563 te voldoen, wordt Dietrichvan Bronckhorst-Batenburg, heer van Anholt en bannerheer vanBaer, thans pandheer onder voorwaarden in den breede beschrevenin den pandbrief, door Philips II den 19 September 1562 te Brüsselgeteekend en afgegeven.
Alzoo weder een uitheemsch landheer, die weliswaar reeds alsbannerheer van Baer in de standen der Graafschap zitting heeft, maardie zieh toch ontwijfelbaar vasal van het Duitsche Rijk rekent enzieh daar, zooals we nader zien zullen, in kwestieuse gevallen steeds opberoept.
1) Liquidatie der Renten en der Domeinen des Lands van Zutphen, anno 1548 (ArchiefRekenkamer, Arnhem), inv. no. 415.
2) Rekening der Domeinen, kwartier Zutphen, 1564 (Archief Rekenkamer), inv. no. 3665.