van de proportie des Menſchen.21dacht eyschen. Want int begin moet een vlijtich Meester letten op de be-sondere beschrijvinghe des aensichts/ in de voorgaende Capittelen verklaert/hy zal voorseker een wonderbaerlijcke subtpliteyt bevinden van kromme enderechte linien/ ende van andere opmerckinghe/ die door seker trec van een linieael niet konnen beschreven worden. Men moet vlijtich verstaen ende letten,opde rondicheden ende kromme treckinghen des voorhoofts/ der wanghen/neus/ ooghen/ mont ende de kin/ dat men niet van de allergheringhste stucks.kens uyt late/ dat niet met ghelijcker sorghe der grootste ghetracteert worde/ende men moet niet minder neersticheyt in den enckelen deelen uyt te schilde-ren/ als in de gheheele tesamen-zettinghe aenwenden. Volcht nu den hals/die moet op 't hooft accorderen/ ende moet niet door kortheydt ofte lanckheyt/dicte ofte dunnicheyt/ leelijc ghemaect worden. Alzoo consequentelijc moetmen zien/ dat alle dinghen in de linie-wercken der borst/ des buycx/ rugghe/billen/ schenen/ voeten/ armen ende handen vlijtich uytghebeelt worden. De-wijl dan nu de gheringhste dinghen met grooter neersticheyt moeten gheab-solveert worden/ zoo moet men die niet hooren/ die zegghen/ datse haestendeniet langh op een werc pleghen te staen: het welcke/ ten waer dat de begerendeseer met het werck haesteden/ niet sal toegelaten worden. Maer der haestingemach men wat toe gheven/ als de waerheyt behouden/ ende de konst-weten-schap uyt het werc uyt schijnt/ Daerom moet een jeghelijcke ghedaente vaneen Beelt/ van 't hooft tot den voetsolen over-eenstemmen/ op wat manierenhet aenghestelt zy het zy rouw ofte glat/ vleeschsich ofte magher/ op dat nietdit deel vol vleesch/ ende een ander magher zy/ als tot een exempel/ dun vanarmen/ ende die van beenen/ van voren alles vol/ achter niet/ ofte daer en te-ghen/ want wy aller leden te samenstemminghe/ eyschen/ ende datse niet licht-veerdelijc ende qualijc te samen ghestooten worden: Want dewelcke wel te sa-men staen/ die pleghen als schoon aenghezien te worden. Ende men moetooc op't oude achtinghe gheven: men en moet niet maken een hooft van eenIonghman/ ende een borst van een grijs Man/ handen ende voeten eensMenschen van zijn volkomen ouderdom. Noch van voor een Jonghman /van achteren oudt/ ofte daer-en-teghen/ die sich niet naer de Natuyr en schie-ken/ worden voorquaet ghehouden. Daerom moet in allen ouderdommender deelen bequaemheyt onderhouden worden/ in het Beelt eens Jonghe-linghs/ eens Ouden-mans/ eens volkomen Mensche/ eens magheren/ eensvetten/ eens rouwen/ eens glatten. Een jongh Beelt moet glat/ sappich endeeſſen zijn. Het oude moet rouw/ verſtelt/ oneffen ende magher zijn. Deſedinghen wel te verrichten is goet/ eer dat sy met trecken ende linien uytghe-arbeyt worden/ dat mense alle naer de maet beschrijve/ op dat men bekennenkan/ zoo jetwes aen de rechtheyt ontbreket. Die dit met neersticheyt waerneemt/ dien zal zijns wercks niet lichtelijc berouwen/ Hier in wordt van denkonstmeester een volmaecte wetenschap der linietreckinghe ghevordert/ wantdese doet tot de konst veel behulps: Ende alzoo wel die ware afmetinghe af-gheteeckent is/ zoo kan doch niet lichter gheschieden/ als dat een dingh de-dorven wort door een handt die des linietreckens onervaren is/ ende licht-veerdelijc door de hooghde, breede ende dicte eens Beelts door loopt: MaerD iiij
Druckschrift
Beschryvinghe von Albrecht Durer van de Menschelijcke Proportion : Begrepen in vier onderscheyden Boecken ; zeer nut ende profijtelijk voor alle Lief-hebbers deser konste ; In't Latijn ende Hoogduytsch, tot Nurenbergh ghedruct ... 1527 ; Ende nu in Nederlandtsche sprake over-gheset ...
Seite
217
Einzelbild herunterladen
verfügbare Breiten