240 —
9
t
Lennep. Noch L en nep 4*/ï goltgulden, den gul-den 13 st. br. nth alle sijn guet.
(etc. etc.)
Olarenwater, Martini (met een ander liand 4 molder rogge,
geschreven, staat hieronder: modo Lenneputh sijn erve op die Haer.)
(etc., etc.) Naar eene opgave van Januari 1549 van den Secretaris der stad Henricus Haen,aanwezig in het archief te Rattem.
N° 2080 1551. Maart 6. p, 119, 120. Jacob die Groot, pastoor der parochiale kerk te Apeldoorn, deken dergeestelijke jurisdictie van Veluwe en Veluwezoom, verklaart, dat voor hem verschenen is Bcrn-hardus die Haese, pastoor te Hattem, heer lïenrick Wycherszoon alias Buteri, heer Jacob Werm-boldzoon, heer Harmen Oeylen en meester Jan Smit, vicarissen te Hattem, die de getuigenis vanHenricus de Haen bevestigen, dat de giftbrief van hertogin Eleonora op eene onverklaarbarewijze verloren gegaan was. „Tevens tuychden ende vcrclaerden noch die getugen voirscreven,„mitsgaders heer Jacob Wermboltsoen, heer Herman Oeylen ende mr. Jan Smit voirgenoemd,„dat zij gesien ende gehoort hebben, dat uuyten voirscreven raedt zijn gecomen Jasper van„Lynden, Herrit van Lennep ende Lubbert van Oldeneel ende hebben gesacht totten„gemeensluden ende gemeen burgeren, dat Henricus Haen alzoe voir den raedt getuycht hadde„van der verruckinge des bryeffs van Alienora voirscreven, als voor verhaelt is", etc.
(Oorspronk. Perk. Arch. Hattem.)
N° 2081 1555. April 28. p. 142 n. 1. Item op Vridach na belaken paeschen, die schuit, pastoir, Necrssen,Gendren, Haen, drost ende Lennep gewest tho Hulsbergen, daer die paters ende vreemdevisitoeren waeren, aangaende des paters van Hulsbergen bederff mit oeren wagen, gegeven denwagenman 2 stuv. brab. (Stadsrekening Hattem, 1555/56.)
N°2082 1555. Nov. 12. p. 140. Hattem. Schepen Gerrit van Lennep genoemd. Hij komt sinds1545 onder de leden van den magistraat voor.
N° 2083 1557. Febr. 10. p. 203. Blijkens een aanteekening op een los stuk papier, aanwezig op het archiefte Hattem, werd den 10 Februari 1557 een inventaris opgemaakt van den inhoud eener doos,gevonden in een kastje aan de zuidzijde van het hooge altaar. Het kastje, met „seker slate"gesloten, werd geopend en opengeslagen in tegenwoordigheid van Wilhelmus van Laer, Lubber-tus van Neerssen, Joan van Lennep en Henricus Haen. De in de doos gevonden stukkenten getale van elf worden op den inventaris zeer fragmentarisch vermeld, doch hebben alleblijkbaar betrekking op bezitingen der kerk.
N°2084 1568. p. 155. Noch die boergemeyster Zande unde Lennep viertych stuv. brab., doe sij toe Zwollebij die commissarien van den hertych van Alben waeren; sij hyelden aever 12 stuv. brab., etc.(Stadsrekening Hattem 1568).
N° 2085 1568/69. p. 156. Noch Lenneps perdt twe daeghen op mijn stall, doe men die bevellhebberstoemoeteryden moeste, een schepell gerssten, unde van die scheepen toe vanghen voer unde nae 1 goltguld. 4 stuv. brab. (Stadsrekening Hattem 1568/69).