— 301 —
Proeve Genealogie
BERG.
Geboren c. 1065.
WERNHERUS I DE LIXEPE, 1093 getuige te Mulonheim. 1125 Schenking aanWerden, n. 948, 949. A
Klanke bespreekt p. 13 voorschreven acten, waarin de geslachten Mulenheym, Broich enLinepe het eerst voorkomen en concludeert eveneens uit de voornamen „Alexander" en „Oonrad",die bij Mulenheym en Lennep voorkomen, dat deze geslachten van een stam of afkomst schijnen tezijn. Er zal ook familierelatie tusschen de geslachten Broich en Lennep zijn geweest. In 1152Lac. Urk. I. 374 was een Wernherus de Brucke getuige voor den aartsbisschop van Keulen.Deze voornaam is een unicum bij dit geslacht.
Prof. Dr. Gottlob concludeert in zijn referaat over Kötzschkes werk, dat in Werden slechtsleden van hoogadellijke geslachten werden opgenomen. Beitrage Werden XII, 1907, p. 176, 177.
Ik neem aan, dat dezelfde Wem er in beide oorkonden compareert. Maar het kunnen ookvader en zoon zijn. Be in n. 948 genoemde edelman Thuringus was in 1093 reeds zóó oud,dat hij begreep geens zoons meer te zullen krijgen; hij leeft nog in 1115 (zie Berg. Gesch. Ver.VII, p. 22) en moet spoedig daarna gestorven zijn ; immers in de Traditiones Werdinenses staatop fol. 15, b. „Tradit Folcmarus pro anima domini sui Thuringi in Winx quatuor solidos". Detraditio van Werner staat op fol. 16, b.; zij kan dus van circa 1125 zijn. Was Wcrner in 1093jong, dan kan hij in .1125 zijn kinderen op de kloosterschool hebben gebracht.
Een afbeelding van de oorkonde van 1093 staat in het oorkondenboek van Mülheim a. d.Roer, in 1926 verschenen, evenals twee prachtige zegelafbeeldingen van de heeren van Broich.
') Circa. 1090—1120. Kaiserswerth p. 14—16.
Een wittebroodsuitdeeling wordt bepaald, uit het fonds der broeders te betalen, van welk fonds deinkomsten worden opgesomd; daaronder in iine : in Helethorpe siclus, in Linepo siclus.
Over Heltorp en Linepe zie J. von Trostorff III p. 106 vlg.