328
Het vierde BoeckaigeLHelijckerwijs als ic dese boven-ghemelde aenghelichten op een syde ge-weynt hebbe/ alzoo wil ickse teghenwoordigh na der syden met de kinI over sich rechten / en met het hooft achter sich neyghen/ ende dan zien ho-het van voren aen te zien is/ dan moet ghy alzoo doen: Neemt het viercantdes van besyden ziende aengesichts/ met allen haren in-hout/ ende stelt het opden ondersten hoeck/ op de dwerschlinie r. p. en onder met den voorsten hoecby de kin recht over sich. Daer naer set op den bovensten hoer deses vier-rants een heele dwersche linie tz. sz. teghen de onderste x. p. tusschen detwee heele dwersche linien/ moeten boven ende onder de twee hoecken des vanbesyden ziende viercants/ over hoecks begrepen werden. Daer nae maect opde syden des van besyden ziende aengesichts/ tusschen de twee dwerschlinien/het over sich ghewende aenghesicht/ van voren ziende in syne breete/ gelijc alsvoor beschreven is/ doet dan ooc alzoo: Set tusschen de twee dwersch-linienmet twee rechte linien a. b. de breete des van voren ziende aenghesicht/ endetrec daer in de andere rechte linien t. d. e. f. g. h. i. k. als sy voor beschrevenende daer tusschen na de breete alle dinghen ghedeelt zijn.Daer na trect met den Overdragher/ uyt het besyden ziende opgherechteaensicht/ met heele dwerschlinien/ alle dinghen daer over in het viercant desvan voren ziende aenghesichts/ van de hooghte des hoofts/stern/ooghbraen/neuse