250
MARIA VAN ENGELAND.
zij deze haar !eed Haagde over hare toenemend zwakkegezondheid. Telkens ieest men in deze brieven van ver-koudheden, van koorts, van oor- en aangezichtspijnen, vaneen zeer hinderlijk en aanhoudend ooglijden, „ik geioof,„dat ik oud word en dat die iichaamsgebreken door den„naderenden ouderdom komen," schreef de twee- en- dertig-jarige vorstin in April 1694. „Of misschien is het ook„het verdriet en de onrust, die iederen zomer geregeld„wederkeeren," gaat zij voort, doelende op 's Koningsweder naderend vertrek naar het leger; en in Septemberdaaraanvoigende ontving ireule van Wassenaar het iaatsteschrijven van de hand harer koninkiijke vriendin. Hetwaren eenige hartelijke woorden van rouwbeklag over hetverlies eener schoonzuster, dat de jonkvrouw ook ter wiiievan de kinderen der overledene diep had getroffen. „Ik„geloof," schrijft Maria in dezen brief, „dat ios te zijn van„deze wereld veel moeielijker is voor hen, die gezegend„zijn met kinderen, want deze zijn als zoovele banden,„die aan de aarde vasthechten. Het sterven zal daarom„zeker lichter zijn voor hen, die er geene hebben."
Was het reeds een voorgevoel van haar naderend uit-einde, dat der Koningin deze woorden in de pen gaf?Drie maanden later, in de Kerstweek van het jaar 1694werd zij ongesteld. Reeds na weinige dagen moest demeening, dat de krankheid van voorbijgaanden aard was,wijken voor de zekerheid, dat de vorstin was aangetastdoor de vreeselijke pokziekte, die men in die dagen noggeheel onmachtig was te bestrijden. Zelve gaf Maria on-