MARIA VAN ENGELAND.
245
„wel een kind kan schenken en verscheidene zelfs, als het Hem„goed dunkt; maar ik moet dat in lijdzaamheid afwachten;„ik moet bedenken, dat er menschelijkerwijs gesproken geene„kans is, dat ik nog gezegend worde, en ik moet dus te-vreden zijn, want de mensch ziet niet, wat de Heer ziet.„Hij weet, waarom Hij mij deze zaak zoo lang onthouden„heeft en waarom Hij ze mij blijft onthouden, en dikwijls„heb ik er Zijnen Heiligen naam om moeten prijzen, als ik„bedacht, hoe ik, als God mij kinderen geschonken had,„nimmer had kunnen dragen, zooals ik het gedragen heb,„wat de Heer mij oplegde, toen mijn echtgenoot het onder-„nam om naar Engeland over te steken; toen hij het vorige„jaar naar Ierland trok en nu naar Vlaanderen. Wat zoude„ik gedaan hebben, als ik kinderen had gehad ? Want mijnen„echtgenoot in gevaar te weten en mij zelve in hoogst on-betrouwbare omstandigheden, dat was wel onrustbarend;„maar voor mij zelve droeg ik dat, getroost in de gedachte„dat het ergste van menschelijke kwaadwilligheid mij weinig„deren kon, daar dit mijne ziele niet schaden kon en slechts„mij zelve raakte. Maar als ik kinderen had gehad, zoude„ik om dezen beangst zijn geweest. Daarom beschouw ik het„gemis van kinderen als een teeken, dat de Heer wil, dat„ik te meer los van de wereld zal zijn en te meer gereed„om die te verlaten, als het Hem behaagt mij tot zich te„roepen. Waarom dan buigt gij u neder, mijne ziele, en zijt„gij onrustig binnen in mij ?"
Zeer levendig bleef haar onder dit alles bij de herinneringaan de rustige, gelukkige jaren, die zij eertijds in Holland