244
MARIA VAN ENGELAND.
„en die ons van zooveel leed doen hooren, dat wij niet„verhelpen kunnen, en dat is het grootste leed."
Telkens opnieuw, bij iedere maandenlange afwezigheiddes Konings, als deze ver weg in Vlaanderen den einde-loozen krijg met Frankrijk voerde, waarin hij steeds geslagenen toch nimmer overwonnen werd, rustte op de schoudersder Koningin de loodzware regeeringstaak, nog verzwaarddoor inwendige verdeeldheid, door partijzucht, door argwaanen verraad. „Te weten, dat mijn echtgenoot opnieuw zijn„leven gaat wagen; dat hier eene partij is, die ten gunste„van mijnen vader werkt; dat er eene andere is, die eene„Republiek wil voorbereiden en dat er bovendien oorzaak„is om te vreezen, dat de aanhang mijner zuster eene derde„partij vormt, zoude dat niet genoeg zijn om iemand van„grooter geestkracht dan de mijne te verschrikken ?" klaagtzij in haar Jfgiwoirgs. En had zij slechts eenen zoon gehad,eenen erfgenaam van den troon, om wien alle partijschappenin den lande zich hadden kunnen vereenigen!
„Lucas 2. 13. L'zp /s Mwe ziroMW jEVi-
„sa&i/z gg/ heet het in eene harer me-
ditaties uit dezen tijd. „Dat waren de woorden van den engel„tot Zacharias. Vroolijke, heerlijke woorden, wier vervulling„nog heerlijker was. Waarom buigt gij u neder, o mijne„ziele? Weet gij het niet, dat de Heer handelt naar Zijn„welgevallen en bedenkt gij niet, dat het goed en recht is,„wat Hij doet ? Nu het Zijn wil niet is geweest, u met een„kind te zegenen, moet gij daarin berusten. Hoewel ik der-„tien jaar gehuwd ben, weet ik, dat de Heer mij nog zeer