Druckschrift 
2 (1911)
Entstehung
Seite
237
Einzelbild herunterladen
 

MARIA VAN ENGELAND.

237

vele woorden, maar wenschte toch, dat ik nu verder nietterug zoude komen op dit treurige onderwerp.

Voor zijn vertrek overlegde de Koning met mij, oftijdens zijne afwezigheid alles in mijnen naam bestuurdzoude worden, dan wel of de het zoude

doen met opdracht om mij vooraf in kennis te stellen.Ik verzocht hem, dat te schikken zooals het hem lietbeste dacht, maar toch vooral zorg te dragen, dat ikgeene ongelukkige figuur maakte; want iemand in mijneplaats kan de dingen niet onopgemerkt doen; het is altijdöf heel goed óf heel slecht.

En ik heb altijd gedacht, dat vrouwen zich niet moestenafgeven met regeeren. Ik heb er zelve nooit naar getracht.Sinds ik getrouwd ben, heb ik den Koning nooit metzaken lastig gevallen; want ik zag hem er altijd zoo medebezet, d^t ik dacht, en hij heeft mij later ook gezegd, dathet zoo was, dat als hij er zich van los kon maken, het hemaangenaam was tot mij te komen en zijne gedachten telaten afleiden door andere dingen. Ik vond dat heel be-grijpelijk en daar ik zag, dat het hem zoo het liefste wasen ik zelve ook niets anders begeerde, ging ik zoo voorten daardoor ben ik vreemd gebleven aan het doen vanzaken. Maar dit geloof ik vast en zeker, dat alle wijsheideene gave des Heeren is, die hij mededeelt waar en wienhij noodig oordeelt, en nu het Hem behaagd heeft, mijalles uit handen te nemen door mij zulk eenen echtgenootte schenken, geloof ik, dat ik mij zelve alleen moet bezighouden met den dienst des Heeren en met al het goede