238
MARIA VAN ENGELAND.
„dat ik in de wereld doen kan. Er is wel geen gebrek aan„iieden, die mij zouden willen laten ingrijpen, die willens„zijn op die wijze kwaad te stichten en die zeggen, dat ik„wel eens geroepen kan worden om alleen te regeeren;„doch ik ben overtuigd, dat, zoo het Gode behaagde mij„zoo zwaar te bezoeken, dat Hij dan te Zijner tijd mij„zoude leiden en richten. Maar ter zake. De Koning ant-woordde mij met groote vriendelijkheid en verzekerde mij,„dat zijne liefde te groot was om niet alle mogelijke zorg„voor mij te dragen en dat hij er alle reden toe had.
„Kort daarna koos hij negen personen om mij ter zijde„te staan gedurende zijne afwezigheid... Hij deelde het„Parlement mede, dat hij het bestuur in mijne handen over-„gaf en wie hij in mijnen Kabinetsraad had benoemd. Mij„zeide hij in vertrouwen, dat ik mij geheel verlaten kon„op Lord Shrewsbury, voor wien hij zooveel lof en prijs„over had, dat ik vervolgens met verbazing vernam, dat„hij om een verschil met den Lord President in tegen-woordigheid des Konings, en waarin de Koning zich bij„den Lord President aansloot, kennis gaf, dat hij zijne„betrekking nederlegde; en hij bleef er bij, trots alles wat„de Koning deed om hem te overreden. — Dat gaf mij„een beklemmend gevoel. Zoo bleef ik dan alleen, wel in„mijn eigen land, het is waar, maar ik was er eene vreemde„geworden, omringd met moeielijkheden en niet wetende„op wien mij te betrouwen. De man, met wien de Koning„zoo veel ophad en dien hij mij genoemd had, als bijna„den eenige, waarop ik mij volkomen kon verlaten, trok