Druckschrift 
2 (1911)
Entstehung
Seite
226
Einzelbild herunterladen
 

226

MARIA VAN ENGELAND.

te rijden, tot zoolang ik den prins nog in de verte konnazien. Des avonds kwam ik in den Haag terug, ontrust

en bedroefd, meer dan ik zeggen kan.Daags na

het vertrek van den prins werd in de geheeie Republiekeen groote vast- en bededag uitgeschreven en gehoudenmet zooveel ijver, dat zelfs de Israëlieten dién vierden ....Den scheepte de prins zich in te Brielle en den

3os's" ging hij met de geheeie vloot onder zeil. Maar Godverwekte eenen storm, die wel slechts eenige uren duurde,maar toch de schepen uitéén dreef, eene groote ver-warring aanrichtte en vele paarden deed sterven. Dengis'e", om vijf ure in den morgen, draaide de wind geheelnaar het Westen en werd zoo hevig, dat men, om hetlijf te bergen, genoodzaakt was de naaste haven binnente loopen; wat ook gelukte zonder ander verlies dan datvan de paarden. Zoo was die storm, dien onze vijandenals een begin van hunne overwinning aanzagen, voor onseene opwekking om ons vertrouwen alleen op God enniet op den vleeschelijken arm te stellen .... De prinsbetuigde in zijne brieven eene groote onderwerping aanden goddelijken wil en wachtte te Hellevoetsluis den tijddes Heeren af, alles bereid houdende tegen den eerstengunstigen wind.

Mijne onrust van geest gedurende den storm, toen ikgeen enkel bericht kon krijgen aangaande den prins, laatzich niet uitspreken; ik kan er alleen dit van zeggen,dat het mij hard en bitter scheen om zóó lief te hebben,als ik liefheb, wanneer men van hem, dien men liefheeft