Druckschrift 
2 (1911)
Entstehung
Seite
225
Einzelbild herunterladen
 

MARIA VAN ENGELAND.

225

nu ik zoovele jaren gehuwd was geweest, zonder dat hetGod behaagd had mij te zegenen met een kind, was datop zichzelf een voldoende reden om mij te weerhoudenzelfs te denken aan wat hij mij thans voorstelde. Ik zeidehem dus, dat ik God bad, mij hem niet te laten overleven,maar dat ik, zoo dit toch moest gebeuren, nu het niet Zijnwil was geweest mij een kind van hem te schenken, ookgeen kind begeerde, al ware het van een Engel. O mijn God,"ging zij voort,als ik te hartstochtelijk ben geweest, zooalsik wel geloof, vergeef het mij! Maar Uw heilige naam zijgeprezen, omdat gij mij gegeven hebt, althans niet temurmureeren tegen Uwen wil.

Ik moet bekennen, dat ik in dit alles te veel aan mij zelvegedacht heb, en daardoor wenschte ik zulk eenen goeden,dierbaren echtgenoot niet te overleven, noch eenen anderen tehuwen, als ik hem dan overleven moest. Wij sprakensamen nog lang over vele andere dingen; ik vroeg hemvergeving voor al mijne tekortkomingen jegens hem,en hij antwoordde mij met zoo groote innigheid, dat mijnelielde voor hem, zoo dat mogelijk was, er nog door toe-,,genomen zoude zijn. Den volgenden dag, den 26^", namhij mij met zich naar Honselaersdijk, en na het middag-straal vergezelde ik hem naar de rivier, waar hij scheepging om zich naar den Brie! te begeven. Daar zag ikhem voor het laatst en Gode alleen was het bekend, ofwij elkander ooit zouden terug zien. Die verschrikkelijkegedachte deed mij mijne bezinning verliezen, en onbewe-gelijk zat ik in mijne koets zonder bevel te geven om op

15