2l8
MARtA VAR ERGELARD.
„zal maken op de kleinmoedigen en kleingeloovigen."
Zeer bekommerde zij zich over hare houding tegenoveranderen in deze. „Ik haat alle veinzerij," schrijft zij; „liever„ga ik door voor onbeleefd en ruw; maar als ik zeg, wat„ik werkelijk denk, weet ik zeker, dat men mij toch niet ge-„looven zal, want weinigen zouden zoo onverschillig zijn„als ik, zoodat ik Helst geheel en al er over zwijgen zoude."In die stemming ontving Maria, lang vóór den verwachtentermijn en juist na de voltrekking van een van Jacobus'meest opzienbarende en willekeurige dwangmaatregelen, detijding van de geboorte van eenen prins van Wales. Maarde loopende geruchten van bedrog, van een ondergeschovenkind, waren niet tot zwijgen te brengen en de uitvoerigeberichten, die zij zich door hare zuster Anna liet verstrekken,benamen der prinses eiken twijfel. „Ik ben overtuigd,"schreef zij nog in de eerste dagen van onzekerheid, „dat„God, als er bedrog is, niet zal toelaten, dat het bedekt„blijve; daarover gevoel ik mij niet bezwaard; en ik dank„den Heer voor den prins en voor mij, dat geen van ons„beiden hierbij op eigen belang bedacht is, maar alleen op„dat van de Kerk van onzen Heer en ook dat stellen wij„geheel in Zijne handen .. . Maar te moeten denken, dat mijn„vader schuldig is aan zulk afschuwelijk wanbedrijf dat er„menschelijkerwijs gesproken geen ander middel is om„Kerk en Staat te redden, dan dat mijn echtgenoot mijnen„vader ga onttronen met geweld, dat is te vreeselijk en„zoude ondragelijk zijn zonder goddelijken bijstand en„zonder een vast en onwankelbaar vertrouwen in Hem, die