Druckschrift 
2 (1911)
Entstehung
Seite
217
Einzelbild herunterladen
 

MARIA VAN ENGELAND. 217

,,dat hem een zoon mocht worden geboren. Maar hoe onver-schillig ik eerst ook ben geweest, ik gevoeide, dat ik datniet mocht biijven, want de zaak van den protestantschengodsdienst hangt er aan, zoodat ieder, die daaraan weiwil (zooals de piicht is van ieder lidmaat dier gemeenschap)noodzakelijkerwijze ontrust moet zijn door de gedachteaan eenen mogelijken roomsch-katholieken troonopvolger.Door die overweging werd ik gewekt uit die zachte,kalme rust, waaraan ik mij overgaf, en ik begon in tezien, dat ik gehouden was te begeeren, dat ik eens totden troon mocht worden geroepen. Behalve mijne be-langstelling in het heil der Kerk dringt ook de liefde, dieik den prins toedraag, er mij toe, te wenschen, dat hijalles moge verwerven, wat hij verdient. Hoe ik het ookbetreur, dat ik hem slechts drie kronen aanbreng," gaatzij voort, in het smartelijk gevoel, dat het haar ontzegdwas hem eenen zoon in den arm te leggen,mijne liefdevoor hem maakt mij niet blind; neen, ik zie zijne feilen,maar ik mag dat erkennen, omdat ik ook zijne verdienstenken. Dit alles bedenkende voel ik om der wille vananderer belangen eene onrust in mij, die ik over dezezaak nimmer voor mij zelve koesteren zoude. Maar Godzij geloofd, ik mag mij op Hem betrouwen en in dat ver-trouwen ben ik zoo verzekerd, dat Hij Zijne Kerk be-houden zal, tenzij de zonden van het volk Zijnen toornover haar brengen, dat ik, al zie ik eenen zoon geborenworden, niet zal versagen, hoe beducht ik ook moge zijnvoor den indruk, dien de geboorte van eenen zoon