214
MARIA VAN ENGELAND.
„iegelijk rekenschap zal moeten geven van zijne daden. Ik„meende dus verplicht te zijn zelve te waken voor het heil„mijner ziel en ik prijs den Heer daarom, dat ik, door„Zijne genade geleerd, geene Protestante ben omdat„ik in die leer ben opgevoed, maar omdat ik door eigen„oordeel overtuigd ben, dat ik zoodoende op den rechten„weg ben." Toen zij den prins toonde, wat zij haren vadergeantwoord had, las zij op zijn gelaat, dat zij zijne ver-wachting van haar verstand en hare kennis had overtroffen.„Ik wil wel bekennen," schrijft zij in hare gedenkschriften,„dat mijne ijdelheid er door gestreeld werd."
Maar hoe gerust ook in de goedkeuring van haren ge-maal en van haar geweten, zag Maria toch met kloppendhart de verwarring in Engeland toenemen. Van vervolgingvan andersdenkenden, ook van de Katholieken, was Willem IIIvolstrekt afkeerig; maar in eenen protestantschen Staatden Katholieken deel aan de regeering te geven achtte hijongeraden, en zelfs gevaarlijk. De loop der dingen deedMaria zien, hoe juist de prins geoordeeld had, toen hijhaar beduidde, dat haars vaders aanhankelijkheid aan deKerk van Rome dezen geen genoegen zoude doen nemenmet eene tolerantie, met eene gelijkstelling der Katholiekenmet de leden der heerschende Staatskerk; dat het hem, instrijd met de bij zijne kroning door hem afgelegde geloftevan handhaving der anglicaansche Kerk, ernst was met zijnpogen om de suprematie van het Katholicisme voor goedin Engeland te herstellen. Inderdaad volgden verschillendegewelddaden tegen Kerk en Staat elkander op met eene