MARIA VAN ENGELAND.
213
aan het spreken te krijgen en haar de uiting te ontlokkenvan den wensch om meer in bijzonderheden te vernemenwelke overwegingen haren vader van het geloof, waarinhij was opgevoed, afkeerig hadden gemaakt. De koninghaastte zich aan dit verlangen te voldoen en schreef haarmet eenige uitvoerigheid wat, naar hij meende, tusschende roomsche en de anglikaansche Kerken ten voordeeleder eerste besliste. Onverwijld na de ontvangst van ditgeschrift en zonder iemand, noch haren hofprediker, nochharen echtgenoot te raadplegen, zette zich de prinses omhare wederlegging op te stellen. Waar haar vader zichberiep op de onfeilbaarheid der Kerk, door de traditie ge-waarborgd, zonder welke de Heilige Schrift voor allerleiuitlegging vatbaar en als gids ten leven ontoereikend zoudezijn, deed zij bovenal uitkomen, hoe iederen Christen deverplichting is opgelegd om zelf de Heilige Schrift te onder-zoeken, en geen genoegen te nemen met wat eene geestelijk-heid, die niet altijd heilig van gedachte en wandel is ge-weest, hem daarvan verkiest mede te deelen. ,,Ik was nog„jong, toen ik mijn land verliet," gaat zij voort, „maar ik„heb er niet achter gelaten de lust om wel onderwezen te„worden, noch de middelen daartoe. Ik heb mij boeken„aangeschaft en heb mij omringd van lieden, die zeer wel„in staat waren om de moeielijkheden, die ik ontmoette,„toe te lichten. Maar ik was niet gezind, noch ben daartoe„opgelegd om te gelooven op het gezag van anderen, want„in de Heilige Schrift heb ik gelezen, dat ik mijns zelfs„zaligheid moet werken met vreeze en beven en dat een