Druckschrift 
2 (1911)
Entstehung
Seite
185
Einzelbild herunterladen
 

AMALIA VAN SOLMS EN MARfA STUART.

185

douairière van Oranje dan ook aiierminst verborgen, datgedurende geheei het tijdperk van Johan de Witt de ge-stadige opweHingen van de Oranjezucht des voiks een bronvan ergernis waren voor hem en de Hoilandsche regenten,een dreigend spooksel, dat hen rusteloos achtervoigde eneene onheiispeHende schaduw wierp over hunne schoonstedagen. Dat de andere provinciën de Staten van Hollandbij herhaling lastig vielen met voorstellen om den jeugdigenWillem III tot de waardigheden zijner vaderen te bestemmen,liet zich nog verduren: men gevoelde zich sterk genoegom allen aandrang van die zijde te weerstaan. Maar datin Holland zelf zoowel de gezeten burgerij als het gemeentelkens blijken gaf van terug te hunkeren naar de vleesch-potten van Egypte, dat was in de schatting der regenteneven hatelijk als onverklaarbaar. Was dit dan, vroegen zij,het loon voor hunne trouwe diensten aan den Staat, dieonder hun bestuur zulk eene verwonderlijke mate vanwelvaart genoot? Konden zij zich niet depatronen enliefhebbers der vrijheid" noemen, om der wille waarvan zijhet stadhouderschap hadden afgeschaft? Was zij niet onge-rijmd te achten, die voorliefde van het volk voor eenstamhuis, waaraan het vaderland ontegenzeggelijk groote,dure verplichting had, maar waarmede sedert de VHMsgc/Ms/c nu voor goed was afgedaan? Toch leerde de onder-vinding, dat om bevolkingen als die van Dordrecht en's-Gravenhage in opschudding te brengen, niet meer noodigwas dan op het dek van een voorbijvarend schip of aaneen venster op het Binnenhof, het knaapje te vertoonen,