Druckschrift 
2 (1911)
Entstehung
Seite
184
Einzelbild herunterladen
 

184 AMAHA VAN SOLMS EN MARIA STUART.

provinciën moest te weeg brengen; op de misslagen vanhet oligarchisch bewind, dat het volk steeds meer tegenzich verbitterde; en eindelijk op Johan de Witt zelven,wiens talent te groot, wiens heerschappij te zwaar, tedrukkend was om geen naijver en verzet wakker te roepen, i)

Als de oude prinses het oor te luisteren legde, danhoorde zij het ook wel, hoe het onder het volk ruischteen zong:

Al is ons prinsje nog zoo kleinAl evenwel zal hij stadhouder zijn.

Al buigt de stam, en al kraakt het riet,

Al evenwel treurt Oranje niet,

Vivat Oranje, Hoezee!

Althans voor velen uit de volksklasse bleef de liefde voorhet Huis van Oranje de groote hartstocht, de poezie alshet ware van hun vaak ééntonig en kommervol bestaan.Inhun Prinsje", zooals zij plachten te spreken, belichaamdezich hunne eerbiedige gehechtheid aan den man, die stervendop de treden van een trap nog voor hen had gebeden.Dat behoort tot die dingen, die in de herinnering van eenvolk onuitwischbaar blijven voortleven, die het niet ver-geten kan, waarmede zijne verwachtingen voor de toekomstonverbrekelijk verbonden zijn. -) Het bleef voor de prinses-

*) Theod. Jorissen. Historische Bladen. Amalia van Solmsen Maria Stuart.

°) Joh. H. Been. Langs den Stormvloed, pag. 21.