AMALIA VAN SOLMS EN MAR!A STUART.
183
het prinsdom te onderhandelen. Onvoorwaardelijk wilde zijhet weder bezitten, zonder ieenpiicht aan de Franschekroon. „Herinner hen er aan," schreef zij aan Huyghens,„dat de prinsen van Oranje altijd de dienaren der koningen„van Frankrijk zijn geweest, maar niet hunne onderdanen„en nog minder hunne slaven. Wij zijn dus tegenover hen„wei tot alle welwillendheid verplicht, maar niet tot eene„onderworpenheid en gedweeheid, die de rechten van den„prins, mijnen kleinzoon, zouden kunnen schaden en afbreuk„doen." Na vier jaren voor deze zending uitlandig te zijngeweest, mocht Huyghens het als ooggetuige aanschouwen,hoe de geheele bevolking van de stad Oranje prins Willemhuldigde, als haren van niemand dan van God afhankelijkensouverein. Die goede uitslag ware echter nimmer bereiktzonder de indirecte medewerking van Johan de Witt.
Maar de prinses-douairière hoopte op nog meer. Hetwas haar voortdurend streven der Statenpartij belang in teboezemen voor den jongen Willem, hen, die de vijandender Oranje's waren, door beleefde verzoeken en vriende-lijken aandrang te bewegen tot het aanvaarden der voogdij.Zoo de Staten aan de opvoeding van haren kleinzoon deelnamen, op welke wijze ook, dan werd metterdaad erkend,dat het Oranjehuis iets anders was in de Republiek, ietsmeer voor haar beteekende dan eenig ander geslacht.Amalia rekende hierbij op den tijd als haren bondgenoot;op den jongen Willem 111, aan wiens zeldzamen aanlegzelfs zijne tegenstanders hulde brachten; op de nood-zakelijke reactie, die de druk van Holland op de andere