Druckschrift 
2 (1911)
Entstehung
Seite
165
Einzelbild herunterladen
 

AMAUA VAN SOLMS EN MARtA STUART. IÓg

hoofd afgeslagen, maar men had daarmede het staatkundigbegrip, waarvan hij uitging, niet kunnen vernietigen. Deleer der provinciale souvereiniteit was te aanlokkelijk omze niet te doen gelden. Er moest bij het machtige Holland,dat meer dan de helft der openbare lasten droeg, en dannog dikwijls de andere provinciën of zuster-republiekjesmoest bijspringen, neiging blijven bestaan om zich aan hetgezag van de Staten-Generaal zooveel mogelijk te onttrekken,ook waar dat gezag door den stadhouder en diens invloedwerd gesteund. Jegens dien stadhouder zelven openbaardezich bovendien bij de regenten van sommige Hollandschesteden vrij wat ijverzucht. Terwijl het volk FrederikHendrik op de handen droeg, dichters hem als den grootenstededwinger huldigden, zagen zij met toenemenden weerzin,dat het buitenland hem, den dienaar der Staten, metregeerende, oppermachtige vorsten op ééne lijn stelde. Hethuwelijk van zijnen zoon met eene koningsdochter kwetstehun republikeinsch gevoel. De hooge uitgaven, waartoe devoortzetting des oorlogs dwong, wekten bezorgdheid enwrevel. De schuldenlast van Holland nam ontzettend toeen zou nog vóór het einde van den krijg tot het ongehoordebedrag van 140 millioen gulden klimmen.

Aan de gematigdheid van Frederik Hendrik was het tedanken geweest, dat in zijnen tijd ernstige botsingen tusschenden stadhouder en de Staten voorkomen werden. Nuechter de van eerzucht gloeiende Willem II zijnen vaderwas opgevolgd, waren die onvermijdelijk gewerden. DeStaten van Holland verdachten hem, en waarlijk niet zonder